HR 27 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:321
Bij aanwijzingen dat een verzekeringsnemer zijn mededelingsplicht niet is nagekomen kan de verzekeraar nader onderzoek laten verrichten. Als dat onderzoek betrekking heeft op medische gegevens en bij het onderzoek een medisch adviseur is betrokken, kan het moment waarop de medisch adviseur informatie ontvangt in de regel niet worden aangemerkt als het moment van ontdekking door de verzekeraar als bedoeld in art. 7:929 lid 1 BW.
Feitelijke achtergrond
Per 31 augustus 2020 heeft de verzekerde zich arbeidsongeschikt gemeld bij zijn arbeidsongeschiktheidsverzekeraar, Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V. (hierna: NN), vanwege rug- en nekklachten. Op 5 november 2020 heeft NN de verzekerde bericht dat naar voren is gekomen dat hij eerder medische klachten heeft gehad die hij niet had opgegeven bij het aanvragen van de verzekering.
Op 19 februari 2021 heeft de medisch adviseur van NN een brief ontvangen van een orthopedisch chirurg. In die brief concludeert de orthopedisch chirurg dat bij de verzekerde sprake is van chronische rugklachten op basis van een aangeboren rugafwijking.
NN heeft de verzekerde bij e-mail van 25 maart 2021 gewezen op het verschil tussen zijn aanvraag en de door NN ontvangen medische informatie. Volgens NN heeft de verzekerde niet voldaan aan zijn mededelingsplicht. NN heeft de verzekerde gewezen op de mogelijke gevolgen hiervan en heeft de verzekerde aanvullende vragen gesteld. Nadat de verzekerde deze vragen had beantwoord, heeft NN de verzekerde laten weten dat geen recht op uitkering bestaat en dat de verzekering wordt opgezegd.
In deze procedure vordert de verzekerde een verklaring voor recht dat NN ten onrechte de verzekering heeft opgezegd en een veroordeling van NN om tot uitkering over te gaan. Het hof heeft voor recht verklaard dat NN is tekortgeschoten in de nakoming van de verzekeringsovereenkomst door zonder voldaan te hebben aan de kennisgevingsplicht uitkering te weigeren. Het hof Den Haag heeft NN bevolen om binnen vier maanden alsnog de mate van arbeidsongeschiktheid van de verzekerde vast te stellen en NN veroordeeld tot voldoening van de uitkeringen die overeenkomen met de mate en duur van de arbeidsongeschiktheid. NN heeft tegen deze uitspraak cassatieberoep ingesteld.
Kennisgevingsplicht van de verzekeraar
In cassatie gaat het om de vraag of NN tijdig heeft voldaan aan de op haar rustende kennisgevingsplicht.
Op grond van art. 7:928 lid 1 BW is de verzekeringsnemer verplicht om vóór het sluiten van de overeenkomst aan de verzekeraar bepaalde feiten mede te delen die hij kent of behoort te kennen. Het gaat dan om feiten waarvan, naar de verzekeringsnemer weet of hoort te begrijpen, de beslissing van de verzekeraar of, en zo ja, op welke voorwaarden, hij de verzekering zal willen sluiten, afhangt of kan afhangen. Dit is de mededelingsplicht van de verzekeringsnemer.
Indien de verzekeraar ontdekt dat de verzekeringsnemer deze mededelingsplicht niet is nagekomen, kan de verzekeraar op grond van art. 7:929 lid 1 BW slechts de gevolgen daarvan inroepen indien hij de verzekeringsnemer binnen twee maanden na ontdekking op de niet-nakoming wijst onder vermelding van de mogelijke gevolgen. Dit is de kennisgevingsplicht van de verzekeraar.
Aanvangsmoment van termijn voor kennisgeving
De termijn voor deze kennisgevingsplicht gaat lopen als de verzekeraar voldoende zekerheid heeft verkregen dat de verzekeringsnemer diens mededelingsplicht niet is nagekomen. Wanneer dit precies het geval is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Of en in welke mate van de verzekeraar mag worden verwacht dat hij onderzoek doet nadat hij aanwijzingen heeft gekregen dat de verzekeringsnemer diens mededelingsplicht niet is nagekomen, is ook afhankelijk van de omstandigheden van het geval (zie HR 7 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1050, CB 2023-106).
Een dergelijk onderzoek kan betrekking hebben op medische gegevens. Bij zo’n onderzoek kan ook een medisch adviseur zijn betrokken. Mede gelet op het beroepsgeheim van de medisch adviseur kan het moment waarop de medisch adviseur de informatie ontvangt, in de regel niet worden aangemerkt als het moment van ontdekking door de verzekeraar als bedoeld in art. 7:929 lid 1 BW. In beginsel kan de verzekeraar pas nadat de medisch adviseur aan de verzekeraar advies heeft uitgebracht, beoordelen in hoeverre de verzekeringsnemer heeft voldaan aan zijn mededelingsplicht. De termijn van art. 7:929 lid 1 BW gaat vervolgens pas lopen zodra de verzekeraar die beoordeling met gepaste voortvarendheid heeft kunnen uitvoeren.
Het oordeel van het hof dat NN de schending van de mededelingsplicht heeft ontdekt op het moment van ontvangst van de brief aan de medisch adviseur op 19 februari 2021, getuigt volgens de Hoge Raad dan ook van een onjuiste rechtsopvatting of is zonder nadere motivering onbegrijpelijk. De klachten van NN over dit onderwerp slagen.
De inhoud van de kennisgeving
De Hoge Raad oordeelt verder dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting voor zover in zijn oordeel besloten ligt dat de in art. 7:929 lid 1 BW bedoelde kennisgeving moet inhouden welke gevolgen de verzekeraar (daadwerkelijk) verbindt aan de schending van de mededelingsplicht. Art. 7:929 lid 1 BW bepaalt immers dat de verzekeraar die ontdekt dat aan de mededelingsplicht niet is voldaan, de gevolgen daarvan slechts kan inroepen indien hij de verzekeringnemer binnen twee maanden na de ontdekking wijst op de niet-nakoming onder vermelding van de mogelijke gevolgen.
Voor zover het hof niet zou zijn uitgegaan van voornoemde, onjuiste rechtsopvatting, is het oordeel van het hof volgens de Hoge Raad onbegrijpelijk. Het hof heeft namelijk vastgesteld dat NN de verzekerde op 25 maart 2021 heeft gewezen op de mogelijke gevolgen van het schenden van de mededelingsplicht. Ook de klachten van NN over de inhoud van de kennisgeving slagen dus.
De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest, en verwijst het geding naar het hof Amsterdam. Dit is in lijn met de conclusie van A-G Lindenbergh.