Selecteer een pagina

HR 3 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:356

Partijen kunnen op een huurovereenkomst van bedrijfsruimte die niet valt onder de omschrijving van art. 7:290 lid 2 BW, toch afdeling 7.4.6 BW van toepassing verklaren.

De casus en het oordeel van het hof

Een huurder drijft een onderneming die een traiteur exploiteert en cateringdiensten verleent. Zij huurt een bedrijfsruimte van een verhuurder, Deliplein. In de kop van de huurovereenkomst staat vermeld: “Huurovereenkomst Winkelruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van art. 7:290 BW”. De overeenkomst houdt ook in dat het gehuurde uitsluitend is bestemd om te worden gebruikt als “Traiteur-/cateringsbedrijf”. Het gaat om een ruimte van 50m2, met daarin een toonbank, waar goederen kunnen worden afgehaald. In de ruimte staan ook cateringspullen opgeslagen.

Deliplein heeft de huur opgezegd. Dat doet de vraag rijzen om welk soort bedrijfsruimte het gaat: zogenoemde middenstandsbedrijfsruimte (art. 7:290 BW) of overige bedrijfsruimte (art. 7:230a BW). Bij middenstandsbedrijfsruimte is de huurbescherming groter. Een verhuurder die de huur opzegt dient dan onder meer, op straffe van nietigheid, de gronden voor de opzegging te vermelden (art. 7:294 BW).

Het hof oordeelt dat sprake is van een gemengde huurovereenkomst. Het overweegt dat de traiteur-werkzaamheden, inclusief de verkoop van producten, plaatsvinden in de bedrijfsruimte zelf, wat wijst op art. 7:290-bedrijfsruimte. In die ruimte staan echter ook spullen opgeslagen voor de cateringdiensten, welke diensten volgens het hof elders worden verleend (niet in de gehuurde ruimte). Volgens het hof ligt het zwaartepunt bij de cateringdiensten en is daarom sprake van overige bedrijfsruimte (art. 7:230a BW).

De Hoge Raad

De huurder klaagt eerst dat het hof niet is ingegaan op haar betoog dat ook haar cateringwerkzaamheden, die volgens haar neerkomen op het op bestelling bereiden van producten, grotendeels in de bedrijfsruimte plaatsvinden. De Hoge Raad acht deze klacht gegrond. Gelet op dit betoog had het hof moeten motiveren waarom niet voor alle activiteiten samen, dus inclusief de catering, sprake is van middenstandsbedrijfsruimte.

De huurder klaagt daarnaast dat zij met Deliplein zou zijn overeengekomen dat het regime voor middenstandsbedrijfsruimte hoe dan ook zou gelden, dus ongeacht de kwalificatie van de daadwerkelijk verrichte activiteiten. Ook deze klacht slaagt. Volgens de Hoge Raad volgt uit de wetsgeschiedenis dat partijen, ook op een huurovereenkomst die niet valt onder art. 7:290 BW, toch afdeling 7.4.6 BW van toepassing kunnen verklaren. Dit is de afdeling over de huur van middenstandsbedrijfsruimte. Het hof had daarom moeten ingaan op het standpunt van de huurder dat zo’n afspraak was gemaakt.

Afdoening

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof Den Haag en verwijst de zaak naar het hof Amsterdam. Deze beslissing komt overeen met de conclusie van A-G Van Peursem.

Share This

Cassatieblog.nl