HR 20 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:461
(1) De Wvggz biedt een wettelijke grondslag voor het toedienen van een testosteronverlagend middel in het kader van medische behandeling. Hierbij gelden de eisen van terughoudendheid die verplichte medicatie steeds in acht moeten worden genomen. Het binnen dit kader gerechtvaardigd toedienen van dergelijke medicatie vormt geen inbreuk op de door art. 8 EVRM beschermde rechten van de betrokkene.
(2) In de klachtprocedure kan alleen worden geklaagd op de limitatief opgesomde gronden in art. 10:3 Wvggz en (dus) niet over de inhoud van de crisismaatregel, machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel of zorgmachtiging als zodanig. Op grond van art. 10:10 Wvggz kan de rechter een verzoek op grond van art. 10:7 Wvggz ter verkrijging van een rechterlijke beslissing op de klacht niet-ontvankelijk verklaren. De rechter dient ambtshalve te beoordelen of deze bijzondere rechtsgang openstaat.
Aanleiding
Deze Wvggz-zaak betreft een man die vanwege zijn psychotische stoornis al geruime tijd onafgebroken verblijft op verschillende afdelingen voor langdurige zorg. De man vertoont seksueel grensoverschrijdend gedrag richting vrouwelijke medepatiënten en vrouwelijke medewerkers. Er is vergeefs getracht een plek voor hem te vinden op een afdeling met alleen mannen. Om herhaling van dit gedrag te voorkomen, leeft hij al sinds september 2023 in afzondering. Hij neemt niet deel aan groepsactiviteiten en kan alleen met één-op-één-begeleiding zijn afgezonderde kamer verlaten. De man heeft naar eigen zeggen geen last van deze situatie.
Zijn behandelaars vinden echter dat de beperkingen leiden tot een uitzichtloos isolement en schadelijk zijn voor de man. Zij beogen daarom, na moreel beraad en een second opinion, de man te behandelen met testosteronverlagende medicatie teneinde hem weer te laten resocialiseren. De rechtbank verleent in oktober 2024 een zorgmachtiging voor diverse vormen van verplichte zorg, waaronder het toedienen van medicatie. De rechtbank onderschrijft daarbij noodzaak van deze behandeling en constateert dat de man zich daarbij neerlegt.
Kort daarop beslist de zorgverantwoordelijke aan te vangen met de behandeling. Tegen die uitvoeringsbeslissing dient de man een klacht op grond van art. 10:3 e.v. Wvggz, waarbij hij alsnog bezwaar maakt tegen de toediening van de testosteronverlagende medicatie. De klachtencommissie verklaart die klacht ongegrond, waarna de man op grond van art. 10:7 Wvggz verzoekt om een beslissing van de rechtbank over de klacht. Ook de rechtbank verklaart die klacht ongegrond.
Toediening van testosteronverlagende medicatie
In cassatie komt de man op tegen de beschikking waarbij de rechtbank zijn klacht ongegrond heeft verklaard. Hij klaagt onder meer dat de Wvggz geen specifieke wettelijke grondslag biedt voor toedienen van libidoremmende middelen om seksueel grensoverschrijdend gedrag te voorkomen, en dat met de toepassing daarvan als verplichte zorg behoedzaam dient te worden omgegaan vanwege de inbreuk die het maakt op de door (o.m.) art. 8 EVRM beschermde lichamelijke integriteit. Het middel trekt een parallel met de beslissing in de Anticonceptie-beschikking (zie daarover CB 2022-159). De Hoge Raad oordeelde in die beschikking, kort gezegd, dat de Wvggz maar beperkt grondslag biedt voor gedwongen anticonceptie.
Deze klacht faalt. De Hoge Raad overweegt dat het toedienen van een testosteronverlagend middel om seksueel grensoverschrijdend gedrag als gevolg van een psychische stoornis te voorkomen, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, een in het licht van art. 8 EVRM gerechtvaardigde maatregel kan vormen ter bescherming van de veiligheid van anderen en ter bescherming van de betrokkene zelf tegen ernstig nadeel als gevolg van zijn stoornis.
De Wvggz biedt voor het toedienen van deze medicatie in het kader van medische behandeling een wettelijke grondslag. Het binnen dit kader gerechtvaardigd toedienen van testosteronverlagende medicatie vormt dan ook geen inbreuk op de door art. 8 EVRM beschermde rechten van betrokkene. Voor het verplicht toedienen van dergelijke medicatie gelden de eisen van terughoudendheid die bij verplichte medicatie steeds in acht moeten worden genomen. Daarbij moeten ook alle effecten van de medicatie in de beschouwing worden betrokken.
Ambtshalve toets van ontvankelijkheid van klacht
De Hoge Raad gaat verder ten overvloede in op het middel in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep, dat de verhouding tussen de procedure betreffende zorgmachtiging en de klachtenregeling in de Wvggz aan de orde stelt.
Zoals A-G Drijber in zijn conclusie uiteenzet, brengt de systematiek van de Wvggz mee dat de rechtmatigheid van de zorgmachtiging wordt getoetst door de machtigingsrechter en niet (achteraf) nogmaals aan de orde kan worden gesteld in de klachtprocedure. De klachtregeling in de Wvggz is bedoeld om een mogelijkheid te bieden om te klagen over de uitvoering van de verplichte zorg. Zo is gewaarborgd dat op onafhankelijke wijze wordt getoetst of de toepassing van de verplichte zorg binnen de grenzen van de zorgmachtiging is gebleven.
In het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep wordt geklaagd dat de man in strijd met deze systematiek in zijn klachtprocedure in feite bezwaren richt tegen de reeds onherroepelijk verleende zorgmachtiging, en dat de rechtbank heeft miskend dat zij de ontvankelijkheid van het verzoek ambtshalve moest toetsen.
De Hoge Raad overweegt dat art. 10:3 Wvggz een limitatieve opsomming bevat van de gronden waarop in het kader van de klachtprocedure kan worden geklaagd. Indien de klacht geen betrekking heeft op de nakoming van een verplichting of een beslissing op grond van een of meer van de in art. 10:3 Wvggz genoemde bepalingen, kan de betrokkene geen gebruik maken van die klachtprocedure. Volgens art. 10:6 lid 2 Wvggz verklaart de klachtencommissie een klacht niet-ontvankelijk indien deze betrekking heeft op de inhoud van de crisismaatregel, machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel of zorgmachtiging als zodanig. Op grond van art. 10:10 lid 1, onder b, Wvggz kan ook de rechter een verzoek ter verkrijging van een beslissing over de klacht niet-ontvankelijk verklaren. De rechter dient ambtshalve te beoordelen of de bijzondere rechtsgang van art. 10:7 Wvggz voor de betrokkene openstaat.
Anders dan A-G Drijber meent de Hoge Raad overigens dat de rechtbank de klacht van de man in dit geval heeft kunnen opvatten als een klacht gericht tegen de uitvoeringsbeslissing.
Afdoening
De Hoge Raad verwerpt het principale cassatieberoep. Deze beslissing is in lijn met de conclusie van A-G Drijber.