Cassatieblog.nl maakt gebruik van cookies voor webanalyse en social media sharing. Google Analytics analyseert met behulp van cookies hoe de website wordt gebruikt. Daarnaast toont Cassatieblog.nl knoppen om informatie te delen op sociale media. Deze knoppen worden enkel weergegeven als u toestemming geeft cookies te plaatsen op uw computer. Meer informatie vindt u in ons privacy statement.
weigeren accepteren

Hypotheekhouder heeft geen belang bij cassatieberoep over hoogte schadeloosstelling bij onteigening

CB 2013-140 Geplaatst op 18 juli 2013 door

HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6532  (X/Staat)

Een hypotheekhouder heeft geen belang bij cassatieberoep voor zover hij klaagt over de hoogte van de onteigeningsschadeloosstelling, als het vonnis waarbij de schadeloosstelling is vastgesteld ten aanzien van de onteigende al in kracht van gewijsde is gegaan. Art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM en art. 43 Onteigeningswet (Ow) brengen niet mee dat de hypotheekhouder zelfstandig klachten kan richten tegen de rechtbankoordelen over de schadeloosstelling.

Deze zaak betreft de onteigening van een perceel ten behoeve van de omlegging van de Zuid-Willemsvaart in Sint-Michielsgestel en ‘s-Hertogenbosch. Het onteigeningsvonnis van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch is in de openbare registers ingeschreven. Vervolgens is de hypotheekhouder tussengekomen in het onteigeningsgeding. Daarna heeft de rechtbank bij eindvonnis de schadeloosstelling voor de onteigende vastgesteld op € 403.000, terwijl de onteigende en de hypotheekhouder betoogden dat de waarde € 770.000 bedroeg.

Slechts de hypotheekhouder heeft cassatieberoep ingesteld tegen het eindvonnis. De onteigende heeft geen rechtsmiddel ingesteld, zodat het ten aanzien van haar in gewijsde is gegaan. De Hoge Raad oordeelt in de eerste plaats dat het enkele feit dat in het onteigeningsgeding de werkelijke waarde van het onteigende (en de schadeloosstelling) op een lager bedrag wordt vastgesteld dan het bedrag van de vordering waarvoor het hypotheekrecht was gevestigd, niet als een aantasting of ontneming van dit zekerheidsrecht kan worden gezien. Het is dus, anders dan de hypotheekhouder stelt met een beroep op art. 43 Ow, niet zo dat de hypotheekhouder zijn zekerheidsrecht steeds tot het volle bedrag waarvoor het is gevestigd, kan verhalen op de aan de onteigende toe te kennen schadeloosstelling. Art. 43 Ow maakt het mogelijk dat de tussengekomen hypotheekhouder als pandhouder kan vorderen dat de onteigenaar wordt veroordeeld tot rechtstreekse betaling aan hem van (het voorschot op) de aan de onteigende toegekende schadeloosstelling, tot (maximaal) het bedrag waarvoor zijn zekerheidsrecht geldt.

Ten aanzien van de overige klachten, die de hoogte van de schadeloosstelling betreffen, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de hypotheekhouder daarbij geen belang toekomt. De schadeloosstelling is voor de onteigende immers al onherroepelijk komen vast te staan. Uit art. 43 lid 1 Ow volgt volgens de Hoge Raad dat de hypotheekhouder geen recht op afzonderlijke schadevergoeding heeft, maar dat hij zijn rechten uitoefent op de schadeloosstelling voor de onteigende. Dit strookt volgens de Hoge Raad met de regel dat de schadeloosstelling door de rechtbank wordt bepaald op het bedrag van het door de onteigenaar gedane aanbod dat door de onteigende is aanvaard (vgl. art. 27 lid 4 Ow). Deze bepaling brengt mee dat de tussengekomen hypotheekhouder zich daartegen niet kan verzetten.

Art. 1 Eerste Protocol brengt naar het oordeel van de Hoge Raad niet mee dat de hypotheekhouder in cassatie zelf klachten moet kunnen richten tegen de rechtbankoordelen over de schadeloosstelling. Weliswaar is het vervallen van het hypotheekrecht aan te merken als een ontneming in de zin van deze bepaling, maar deze ontneming geschiedt volgens de Hoge Raad in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. De wet voorziet erin dat het hypotheekrecht wordt vervangen door een pandrecht op de aan de onteigende toegekende schadeloosstelling. Ook kan de hypotheekhouder in het onteigeningsgeding tussenkomen om zijn zekerheidsrecht tegenover de onteigenaar in te roepen. Verder brengt zijn positie als tussengekomen partij mee dat hij in het onteigeningsgeding al hetgeen van belang is voor de vaststelling van de werkelijke waarde van het onteigende (en de waardevermindering van het overblijvende) aan de onteigeningsrechter kenbaar kan maken.

Deze wettelijke regeling komt ook niet in strijd met het beginsel van proportionaliteit. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat de onteigende hypotheekgever (ook) zelf zal opkomen tegen een waardebepaling die te laag is, en dat de onteigening geen wijziging brengt in de regel dat de hypotheekhouder voor het niet door zijn zekerheidsrecht gedekte bedrag van zijn vordering de schuldenaar kan blijven aanspreken. Verder dient het wettelijk stelsel de rechtszekerheid, doordat wordt voorkomen dat in de verhouding tussen de onteigenaar en de hypotheekhouder een ander bedrag aan schadeloosstelling kan worden vastgesteld dan in de verhouding tussen de onteigenaar en de onteigende, hetgeen tot aanzienlijke complicaties aanleiding zou geven.

De Staat is in deze zaak in cassatie bijgestaan door Martijn Scheltema en de auteur en in de procedure bij de rechtbank door Bas ten Kate.

email print