HR 6 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:193
Bij de berekening van een billijke vergoeding na het eindigen van een arbeidsovereenkomst kan de rechter betrekken of de werknemer recht zou hebben op een WW-uitkering. Of het redelijk is om daarmee rekening te houden, en in welke mate, hangt af van de omstandigheden van het geval in het licht van wat partijen daarover hebben aangevoerd.
De billijke vergoeding in het arbeidsrecht
Deze uitspraak ziet op de berekening van een billijke vergoeding die de rechter kan toekennen nadat een arbeidsovereenkomst is geëindigd. Er bestaan verschillende situaties waarin de wet het toekennen van een billijke vergoeding toestaat: zie daarover onder meer CB 2017-131, naar aanleiding van HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle I).
In gevallen waarin de billijke vergoeding kan worden toegekend vanwege ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever dient de billijke vergoeding om de werknemer voor de gevolgen van dat handelen te compenseren. Daarbij kan rekening worden gehouden met inkomen dat de werknemer zou hebben genoten als de arbeidsovereenkomst op een later moment zou zijn geëindigd, met eventueel ander werk dat de werknemer inmiddels heeft gevonden, en met de inkomsten die hij daaruit dan geniet, en met de (andere) inkomsten die de werknemer in redelijkheid in de toekomst kan verwerven. (zie rov. 3.2 van de hier besproken beschikking).
Daaraan doet niet af dat de werknemer naast de billijke vergoeding ook recht heeft op een transitievergoeding, die eveneens bedoeld is om hem te compenseren voor het verlies van werk.
Dit alles had de Hoge Raad al uitgemaakt in de genoemde beschikking inzake New Hairstyle I, die zag op de billijke vergoeding als bedoeld in art. 7:681 lid 1, aanhef en onder a, BW. In latere beschikkingen heeft de Hoge Raad deze maatstaf doorgetrokken naar de billijke vergoeding als bedoeld in:
- 7:671c lid 2, aanhef en onder b BW (HR 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:878(Zinzia) (CB 2018-104);
- 7:671b lid 8, aanhef en onder c, (oud) BW (inmiddels art. 7:671b lid 9, aanhef en onder c, BW) (HR 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2218 (Servicenow));
- 7:683 lid 3 BW (HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:955 (Blue Circle)) (CB 2020-82).
In de hier besproken beschikking bevestigt de Hoge Raad dat de in de genoemde uitspraken ontwikkelde gezichtspunten ook gelden voor de billijke vergoeding die hier aan de orde is, namelijk die van art. 7:671b lid 9, onder c, BW.
Werkloosheidsuitkering meerekenen?
In de zaak die leidde tot de besproken beschikking was de arbeidsovereenkomst van werkneemster als klinisch chemicus met haar werkgever, de Stichting Antonius Zorggroep (Antonius), ontbonden wegens een verstoorde arbeidsverhouding. Vervolgens achtte het hof een billijke vergoeding op zijn plaats, omdat de ontbinding het gevolg zou zijn van ernstig verwijtbaar handelen door Antonius. Antonius had onder meer niet voldaan aan haar verplichtingen tijdens de re-integratie van werkneemster en aangestuurd op beëindiging van het dienstverband tijdens haar ziekte.
Het hof stelde de billijke vergoeding vast door in te schatten hoe lang het dienstverband zonder de ontbinding nog zou hebben voortgeduurd en wat werkneemster in die periode zou hebben verdiend. Het hof achtte het redelijk om van dat bedrag af te trekken wat werkneemster in die periode aan WW-uitkering zou hebben kunnen ontvangen.
In cassatie komt werkneemster hiertegen op. Zij klaagt dat de WW-uitkering alleen in uitzonderlijke gevallen in mindering mag worden gebracht op de billijke vergoeding.
De Hoge Raad acht die klacht ongegrond. De Hoge Raad verwijst naar de hiervoor weergegeven gezichtspunten die in de rechtspraak zijn ontwikkeld voor het berekenen van een billijke vergoeding, en oordeelt dat het hof die niet heeft miskend. Het hof kon daarbij rekening houden met de WW-uitkering die werkneemster zou ontvangen, zo overweegt de Hoge Raad:
“3.4 Anders dan het middel betoogt, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting dat het hof bij het bepalen van de billijke vergoeding de mogelijke WW-uitkering op het gederfde loon in mindering heeft gebracht. Als de rechter bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houdt met de gevolgen voor de werknemer van het voortijdige einde van de arbeidsovereenkomst – zoals het hof in deze zaak heeft gedaan – ligt het immers voor de hand dat hij in dat verband niet alleen rekening houdt met nadelen (verlies van loon) maar ook met eventuele voordelen (zoals het recht op een uitkering of de mogelijkheid andere inkomsten te verwerven) die daarmee voldoende samenhangen. In welke mate de aldus vastgestelde gevolgen de hoogte van de billijke vergoeding bepalen, zal mede afhangen van de aanwezigheid van andere omstandigheden die bij het vaststellen van de vergoeding van belang zijn. Daarbij kan ook meewegen of de werknemer wordt benadeeld in mogelijke toekomstige rechten op een werkloosheidsuitkering. Uiteindelijk komt het immers aan op een beoordeling van alle omstandigheden in het licht van hetgeen partijen daarover hebben aangevoerd. Het hof heeft dat niet miskend.”
Hiermee volgt de Hoge Raad de conclusie van A-G de Bock. In punt 4.16 e.v. van haar conclusie gaat zij in op de vraag in welke gevallen het wel of juist niet redelijk kan zijn om bij de vaststelling van de billijke vergoeding rekening te houden met de mogelijke aanspraak op een WW-uitkering. Of dat redelijk is en zo ja, in welke mate, valt niet in algemene zin te zeggen, maar hangt af van de omstandigheden van het geval en van wat partijen daarover hebben gesteld.