Selecteer een pagina

HR 12 oktober 2012, LJN BX5572

Indien opdrachtgever en opdrachtnemer van mening verschillen over de omvang van de opdracht, dient te worden vastgesteld wat partijen terzake zijn overeengekomen en strekt het Haviltex-criterium derhalve tot uitgangspunt. Onjuist is de aanpak van het hof, dat de omvang van de opdracht slechts heeft beredeneerd vanuit de vaststelling van hetgeen tussen partijen met betrekking tot de opdracht niet in geschil is. Voor de aan de overeenkomst te geven uitleg kunnen ook gedragingen van partijen na het sluiten van de overeenkomst van belang zijn.

Feiten

Het architectenbureau van X heeft vanaf 1999 met vaste regelmaat diverse werkzaamheden verricht voor stichting Y, die een scholengemeenschap in Amsterdam exploiteert. Tussen 2003 en 2006 was X onder meer belast met het verrichten van locatieonderzoek ten behoeve van een nieuw te stichten school. In dit kader heeft X een zogenaamd typologisch onderzoek schoolgebouwen gedaan, een Programma van Eisen opgesteld, diverse ontwerpen per locatie gemaakt en een serie boekjes samengesteld, waarin telkens per locatie van het onderzoek verslag werd gedaan. Uiteindelijk is de bouw van de nieuwe school niet aan X, maar aan een derde gegund.

De Stichting heeft X vervolgens gevraagd zijn werkzaamheden te factureren. Nadat X dit had gedaan heeft de Stichting echter geweigerd het in totaal gefactureerde bedrag van ruim € 100.000,- aan X te voldoen.

X heeft vervolgens de Stichting in rechte betrokken. De Stichting heeft erkend dat er een opdracht aan X is gegeven, maar zich op het standpunt gesteld dat deze uitsluitend zag op een zogenaamde ruimte/volume studie, waaronder de Stichting verstaat: een onderzoek naar de vraag of er op een bepaald stuk grond voldoende ruimte/volume aanwezig is om daarop een school te vestigen. Het opstellen van een Programma van Eisen en het maken van ontwerpen, zou niet in zo’n studie zijn begrepen, aldus de Stichting.

X heeft vervolgens benadrukt dat de opdracht inhield het doen van locatieonderzoek op basis van een Programma van Eisen. Het locatieonderzoek was dus niet beperkt tot een ruimte/volumeonderzoek. Gezien de lange werkrelatie tussen partijen, de in dat kader verrichte werkzaamheden, het tussentijds door X gedane verslag in de vorm van boekjes en presentaties, alsmede het feit dat daarop nimmer een wanklank van de Stichting is gevolgd, mocht X, zo heeft hij gesteld, ook van zo’n ruime opdracht uitgaan.

Procesverloop

In eerste aanleg heeft de Rechtbank uit de correspondentie tussen partijen afgeleid dat tot de opdracht van X ook behoorde het opstellen van een Programma van Eisen. Tevens heeft de rechtbank geoordeeld dat de Stichting, gezien de wijze waarop X verslag deed van zijn werkzaamheden, wist of kon weten welke werkzaamheden X verrichtte, zodat zij zich achteraf niet meer op het standpunt kan stellen dat X zijn opdracht te buiten is gegaan. Vervolgens heeft de rechtbank de zaak in de sleutel van art. 7:405 lid 2 BW jo. 403 lid 2 BW geplaatst en een deskundige benoemd ter vaststelling van het aan X toekomende, redelijke loon.

In het door de Stichting geëntameerde appel stelt het Amsterdamse hof voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat de Stichting aan X een opdracht heeft verstrekt tot het doen van een ruimte/volumeonderzoek, maar dat zij van mening verschillen over de inhoud en reikwijdte van die opdracht.

Vervolgens overweegt het hof dat het voor het vaststellen van de inhoud van de opdracht tot uitgangspunt neemt dat deze ziet op onderzoek naar de vraag of op een bepaald stuk grond binnen het kader van een bestemmingsplan voldoende ruimte/volume aanwezig is voor een nieuw te bouwen school. Aldus omvat de opdracht volgens het hof niet de werkzaamheden die betrekking hebben op de ontwerpen, de verslaglegging in de boekjes en het Programma van Eisen. Uiteindelijk wijst het hof slechts een fractie van het door X gevorderde bedrag toe.

Cassatie

In cassatie klaagt X erover dat het hof de inhoud en de reikwijdte van de opdracht heeft vastgesteld zonder zich te bekommeren om de partijbedoelingen terzake. X heeft erop gewezen dat het hof een geheel eigen en in hoge mate geobjectiveerde invulling aan de opdracht lijkt te hebben gegeven. Dat is rechtens onjuist, zo heeft X betoogd, omdat de inhoud van een opdracht in de zin van art. 7:400 BW wordt bepaald door hetgeen partijen terzake zijn overeengekomen en de vraag, wat partijen terzake de inhoud van de opdracht zijn overeengekomen, evenals dat het geval is voor iedere andere overeenkomst, wordt bepaald door hetgeen partijen over en weer redelijkerwijs van elkaar hebben verwacht en mochten verwachten. Zie art. 3:33 en 3:35 BW, alsmede HR 13 maart 1981, NJ 1981/635 (Haviltex). Noties over hetgeen partijen gelet op elkaars verklaringen en gedragingen over en weer redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten terzake de inhoud en reikwijdte van de opdracht, ontbreken echter geheel in ’s hofs overwegingen, zo heeft X gesteld. X heeft er op gewezen dat dit temeer opmerkelijk is, nu partijen wél over die vraag hebben gedebatteerd.

De Hoge Raad stelt X in het gelijk en overweegt dat het hof kennelijk de Haviltex-maatstaf heeft miskend:

“3.5 (…) Het hof heeft de omvang van de opdracht slechts beredeneerd vanuit een uitgangspunt dat het koos op basis van de vaststelling van hetgeen tussen partijen met betrekking tot de opdracht niet in geschil is, namelijk dat de Stichting aan [eiser] een opdracht heeft verstrekt tot het doen van ruimte/volume-onderzoek, en is voorbijgegaan aan het partijdebat over de vraag wat “het doen van ruimte- en volumeonderzoek” concreet inhield. (…) Het hof heeft dan ook kennelijk de Haviltexmaatstaf, aan de hand waarvan de rechter de inhoud van een overeenkomst behoort vast te stellen, miskend; daarbij verdient opmerking dat ook gedragingen van partijen na het sluiten van de overeenkomst van belang kunnen zijn voor de aan die overeenkomst te geven uitleg.”

De uitspraak van de Hoge Raad is begrijpelijk: weliswaar hoeft de appelrechter niet met zoveel woorden tot uitdrukking te brengen dat hij bij de uitleg van een overeenkomst de Haviltex-maatstaf voor ogen heeft gehad, maar uit zijn overwegingen moet wel kunnen worden afgeleid dat hij die maatstaf heeft gehanteerd. Zie in dit verband HR 23 maart 2007, LJN AZ7624.

De uitspraak bevestigt verder iets wat eigenlijk heel vanzelfsprekend is, namelijk dat ook de uitleg van een overeenkomst van opdracht wordt beheerst door het Haviltex-criterium. Vgl. in dit verband HR 13 juli 2012, LJN BW4989 en HR 19 december 1986, NJ 1987/296.

Dat bij de uitleg van een overeenkomst betekenis toekomt aan de gedragingen van partijen na het sluiten van de overeenkomst is met zoveel woorden al eens eerder beslist. Zie in dit verband HR 20 mei 1994, NJ 1994/574 en HR 20 mei 1988, NJ 1988/781.

Na verwijzing zal het Haagse hof zich met toepassing van het juiste criterium opnieuw moeten buigen over de omvang van de opdracht.

X werd in cassatie bijgestaan door de auteur en in de feitelijke instanties door Jaap Rehbock (Wieringa Advocaten).

Share This