Selecteer een pagina

Dossier: Goederenrecht


HR 1 februari 2013, LJN BY4134 (Van Leuveren q.q. / ING)

(1) Een volmachtverlening die uitsluitend ertoe strekt een reeds overeengekomen verpanding tot stand te brengen kan niet worden aangemerkt als een onverplichte rechtshandeling in de zin van art. 42 F, ook al was deze specifieke wijze van uitvoering van de verplichting tot verpanding niet overeengekomen. (2) Registratie van de akten waarin de verpandingstitel en de volmachtverlening zijn vastgelegd, is niet vereist om een geldige verpanding tot stand te brengen. (meer…)

HR 7 december 2012, LJN BX7474 (Prorail/Rijswijk Wonen)

De omstandigheid dat een zaak ten opzichte van een andere zaak een tijdelijke hulpfunctie vervult en bestemd is om daarna te worden verwijderd, levert in het algemeen een aanwijzing op dat die zaak naar verkeersopvatting niet als onderdeel van de andere zaak kan worden aangemerkt. Deze omstandigheid staat echter niet altijd in de weg aan het oordeel dat toch sprake is van een bestanddeel, nu dat immers mede afhangt van de overige omstandigheden van het geval. (meer…)

HR 9 november 2012, LJN BX7851 (ABN AMRO Lease/Ontvanger)

De enkele beëindiging van de leaseovereenkomst en opeising van bodemzaken door de leasegever zijn te beschouwen als (het begin van) het gebruikmaken van het zekerheidskarakter van zijn eigendom en brengen, zolang de zaken zich nog op de bodem van de belastingschuldige bevinden, op zichzelf geen wijziging in de voor het bodemrecht van de Ontvanger relevante aard van het eigendomsrecht met betrekking tot die zaken. Opzegging en opeising zijn dus ontoereikend om te bewerkstelligen dat het tot zekerheid strekkende eigendomsrecht van de leasegever, voor de toepassing van het bodemrecht, “promoveert” tot de in het beleid van de fiscus bedoelde reële eigendom (welke eigendom door de Ontvanger moet worden ontzien). (meer…)

HR 10 augustus 2012, LJN BW5324

Voor verkrijgende verjaring ex art. 3:105 BW is slechts vereist dat de bezitter de zaak bezit op het moment waarop de verjaring van de vordering tot revindicatie wordt voltooid, ongeacht of deze bezitter te goeder trouw is. Bepalend is of gedurende de gehele verjaringstermijn van twintig jaar de toestand bestaat dat een ander dan de rechthebbende bezitter is. Niet van belang is of opvolging in het bezit heeft plaatsgevonden en dus ook niet of opvolgende bezitters te goeder trouw (in de zin van art. 3:102 BW) waren. (meer…)

HR 13 juli 2012, LJN BW4983 (Staat/X)

De eigenaar die het bezit van een hem ontstolen zaak binnen de driejaarstermijn van art. 3:86 lid 3 BW heeft herkregen, kan volstaan een beroep te doen op zijn eigendom als de derde-verkrijger de zaak van hem opvordert, ook als hij dit beroep na het verstrijken van die termijn zou doen. Hij hoeft de zaak dus niet uitdrukkelijk als zijn eigendom op te eisen (in de zin van art. 3:86 lid 3 BW) van de derde-verkrijger te goeder trouw. Wanneer het openbaar ministerie een in beslag genomen gestolen zaak binnen de driejaarstermijn teruggeeft aan de eigenaar, is de Staat niet gehouden de waarde van de zaak te vergoeden aan de beslagene, ook al is sprake van schending van de jegens de hem in acht te nemen voorschriften (van art. 116 Sv). Nu de eigenaar zijn bezit heeft herkregen, heeft de beslagene (derde-verkrijger) immers niet de eigendom verworven, zodat de eigenaar geen schade heeft geleden door de teruggave van de zaak aan de bestolene. (meer…)

HR 23 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0614 (ING/Manning q.q.)

De verbintenis van een bank om overeenkomstig een instructie van haar rekeninghouder een betalingsopdracht ten laste van het saldo van de rekening-courant uit te voeren, ontstaat pas op het moment dat die instructie wordt gegeven. (meer…)