Dossier: Goederenrecht


HR 21 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:61

In het huurrecht is van belang of sprake is van een voorziening die naar zijn aard onlosmakelijk met de gehuurde woonruimte verbonden is (een ‘onroerende aanhorigheid’). Als daarvan sprake is, kunnen bepaalde daaraan verbonden lasten niet door de verhuurder bij de huurder in rekening worden gebracht. De Hoge Raad heeft in dit arrest beslist dat de vraag of sprake is van zo’n onroerende aanhorigheid mede kan worden bepaald aan de hand van art. 3:4 BW. Daarnaast heeft de Hoge Raad beslist dat art. 7:237 lid 2 BW voorgaat op de Warmtewet 2014. (meer…)

HR 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:524 (Van Dooren q.q. / X Holding)

1) Rangwijziging is ook mogelijk ten aanzien van het recht van pand.
2) Rust een pandrecht op een vordering, dan is de pandhouder bevoegd in en buiten rechte nakoming van de vordering te eisen en betalingen in ontvangst te nemen. Deze in art. 3:246 lid 1 BW geregelde bevoegdheden strekken zich uit over alle vorderingen die door de pandgever aan de pandhouder zijn verpand, ongeacht het beloop van de vordering waarvoor het pandrecht is verstrekt. (meer…)

HR 13 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1785, ECLI:NL:HR:2020:1786 en ECLI:NL:HR:2020:1787

Art. 3:4 lid 1 en 2 BW bevatten elk een zelfstandige grond voor bestanddeelvorming van een zaak met een hoofdzaak. Voor bestanddeelvorming op grond van art. 3:4 lid 2 BW geldt een zuiver fysiek criterium. Niet relevant is wat de vermogensrechtelijke gevolgen zijn van de eventuele afscheiding van de zaak en de hoofdzaak, en of na afscheiding herstel kan plaatsvinden. (meer…)

HR 13 november 2020  ECLI:NL:HR:2020:1783

Ten aanzien van een hoofdveroordeling waarbij de medewerking van derden is vereist kan een dwangsom worden opgelegd. Voorts kunnen er  voorwaarden worden verbonden aan de aanwijzing van een noodweg, maar niet voor zover dit de gebruiker van de noodweg het recht zou geven delen van het bezwaarde erf te gebruiken die niet zijn aangewezen als noodweg. (meer…)

HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:590 (ING/Schepel q.q.)

Voor de vraag of een pandakte ten tijd van de stille verpanding het te verpanden goed in voldoende mate bepaalt, is voldoende als de pandakte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welk goed het gaat. Dit uitgangspunt geldt ook voor andere goederen dan vorderingen, zoals bijvoorbeeld auteursrechten. (meer…)

HR 20 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:484

Deze zaak draait om hypotheekrechten van Rabobank op een perceel die als gevolg van ruilverkaveling van rechtswege zijn overgegaan op een vervangend perceel. Hoewel voornoemde overgang van de hypotheekrechten niet was opgenomen in de openbare registers komt aan de hypotheekhouder die (na de ruilverkaveling) een hypotheekrecht op het vervangend perceel heeft gevestigd geen bescherming ex art. 3:24 lid 1 BW toe. Er is in dit geval sprake van zaaksvervanging en dat kwalificeert niet als een “voor inschrijving in de registers vatbaar feit” als bedoeld in art. 3:24 lid 1 BW. (meer…)

Cassatieblog.nl