Selecteer een pagina

Dossier: Prejudiciële vragen Hoge Raad


HR 21 juni 2013, LJN CA3958

Een bestuurder van een rechtspersoon kan slechts op grond van art. 2:11 BW aansprakelijk worden gehouden, indien de door hem bestuurde aansprakelijke rechtspersoon-bestuurder een Nederlandse rechtspersoon is. (meer…)

HR 31 mei 2013, LJN CA1614 (X/Mr. Butin Bik q.q. c.s.)

De Hoge Raad ziet vooralsnog af van beantwoording van de door de rechtbank gestelde prejudiciële vraag of het vestigen van een pandrecht op een assurantieportefeuille rechtens mogelijk is. Nu de rechtbank enkele andere aangevoerde verweren nog niet heeft behandeld, is beantwoording van de gestelde vraag (nog) niet “nodig” om het geding te beslissen (art. 392 lid 1 Rv). (meer…)

HR 8 februari 2013, LJN BY4889 (Rabohypotheekbank N.V. c.s./X c.s.)

Een notariële akte levert alleen dan een executoriale titel in de zin van art. 430 Rv op indien deze betrekking heeft op vorderingen die op het tijdstip van het verlijden van de akte reeds bestaan en in de akte zijn omschreven, of op toekomstige vorderingen die hun onmiddellijke grondslag vinden in een op het tijdstip van het verlijden van de akte reeds bestaande en in de akte omschreven rechtsverhouding (vgl. HR 26 juni 1992, NJ 1993/449). De (standaard)hypotheekakte die de bank in dit geval heeft gehanteerd voldoet niet aan deze eisen en kan daarom niet als executoriale titel worden gebruikt voor de ‘restschuld’ die na uitwinning van het hypotheekrecht nog bestaat. (meer…)

Vzr. Rb. Amsterdam 4 december 2012, LJN BY6220

De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam heeft aan de Hoge Raad onder meer de prejudiciële vraag gesteld of in zaken die niet vallen onder art. 1019b lid 1 jo. 1019c Rv (niet- IE zaken) ook de mogelijkheid bestaat van bewijsbeslag. (meer…)

Rechtbank Utrecht 3 augustus 2012, LJN BX3391

Een maand na de inwerkingtreding van de Wet prejudiciële vragen aan de Hoge Raad is de eerste prejudiciële vraag aan de Hoge Raad een feit. De  primeur is afkomstig van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Utrecht (vonnis van 3 augustus 2012, LJN BX3391). De vraag heeft betrekking op de reikwijdte van de executoriale kracht van een hypotheekakte; strekt die zich ook uit tot de restantvordering uit hoofde van een overeenkomst van geldlening die ten tijde van de hypotheekverstrekking al bestond? (meer…)