HR 27 april 2012, LJN BV1301 (De Beeldbrigade/X) en BV1299 (X/Bell Microproducts)

Titel 7.1 BW is van toepassing op de aanschaf van standaardsoftware – op een gegevensdrager of via een download – voor een niet in tijdsduur beperkt gebruik tegen betaling van een bepaald bedrag.

Is software te koop? Dat klinkt als een triviale vraag, maar het antwoord op de vraag of het aanschaffen van een computerprogramma juridisch gezien “koop” is, ligt nog niet direct voor de hand. Dat antwoord is wel van groot belang voor de rechten van de partijen bij de overeenkomst: als het aanschaffen van software als koop moet worden beschouwd, valt die overeenkomst immers onder de eerste titel van Boek 7 BW. Dan zijn ook de bijzondere bepalingen over onder meer non-conformiteit, klachtplicht en verjaring van toepassing, en geldt een sterkere rechtsbescherming voor de consument-koper.

Art. 7:1 BW definieert koop als de overeenkomst waarbij de een zich verbindt een zaak te geven en de ander om daarvoor een prijs in geld te betalen. Titel 7.1 kan behalve op zaken ook op vermogensrechten betrekking hebben, zolang de bepalingen in overeenstemming zijn met de aard van dat recht (art. 7:47 BW).

Komt het leveren van software neer op het leveren van een zaak of een vermogensrecht? Je zou kunnen redeneren dat de drager (dvd, usb-stick, etc.) inclusief de software in de vorm van elektromagnetische data die daarop is vastgelegd, een stoffelijk object is dat voor menselijke beheersing vatbaar is, en daarmee een zaak in de zin van art. 3:2 BW. Maar dat is bij software niet het hele verhaal. Een computerprogramma is ook een voortbrengsel van de menselijke geest en als zodanig beschermd door het auteursrecht. Dat betekent ook dat software zonder toestemming van de rechthebbende niet verveelvoudigd mag worden, maar verveelvoudiging is precies wat er gebeurt wanneer een programma bijvoorbeeld wordt geïnstalleerd, geladen of uitgevoerd (vergelijk art. 45i Auteurswet). Bij de aanschaf van software is daarom ook altijd sprake van het (impliciet of expliciet) verkrijgen van een gebruiksrecht, en dat recht is in elk geval geen zaak in de zin van art. 3:2 BW. Maar wat is dat dan voor recht en onder welke titel wordt dit verkregen? De wet bepaalt dat verveelvoudiging van software toegestaan aan de “rechtmatige verkrijger van een exemplaar van eerder genoemd werk, die noodzakelijk is voor het met dat werk beoogde gebruik” (art. 45j Auteurswet, ontleend aan de Softwarerichtlijn), maar of die “verkrijging” van het recht om software op een bepaalde manier te gebruiken, neerkomt op de “koop” van een vermogensrecht, of huur, of dat sprake is van nog een ander type overeenkomst, daarover verschillen de meningen (zie ook de conclusie-AG onder 3.8).

Het juridische karakter van software, of liever gezegd, de juridische kwalificatie van het aanschaffen van standaardsoftware, is in cassatie voor het eerst aan de orde gekomen in deze zaak. De Beeldbrigade, een producent van televisieprogramma’s, heeft montagesoftware gekocht van X. De software werkt niet goed en De Beeldbrigade stelt X aansprakelijk uit wanprestatie. X beroept zich op de verjaringstermijn van twee jaar die voortvloeit uit art. 7:23 lid 2 BW. De kernvraag: geldt de aanschaf van de software als koop, zodat art. 7:23 BW van toepassing is, of niet? Het hof vond dat sprake was van koop van een vermogensrecht, en daarom van toepasselijkheid van art. 7:47 BW, en dus van Titel 7.1 BW, waar art. 7:23 BW deel van uitmaakt.

A-G Wuisman concludeert, juist vanwege het hybride karakter van software, waarbij het auteursrecht ook een rol speelt, dat software niet in algemeen goederenrechtelijke zin moet worden gekwalificeerd als zaak of vermogensrecht, maar wel als zaak – of daarmee gelijk te stellen object – in de zin van art. 7:1 BW, en dat daarom Titel 7.1 BW, en dus art. 7:23 BW van toepassing is.

Ook de Hoge Raad vindt een algemeen dogmatisch antwoord nodig noch wenselijk. Hij stelt voorop (r.o. 3.4) dat het in deze procedure slechts gaat:

“om de verbintenisrechtelijke vraag of de in art. 7:23 BW neergelegde regeling van de verjaring zich leent voor toepassing in de situatie dat standaardsoftware niet blijkt te functioneren zoals werd verwacht door degene die deze software heeft aangeschaft. Niet aan de orde is derhalve de goederenrechtelijke aard van software, en evenmin de kwalificatie van (de titel van verkrijging van) de gebruiksrechten die bij de aanschaf van de software worden verkregen.”

Met andere woorden: de Hoge Raad zal geen uitspraak doen over de vraag of men bij de aanschaf van software een zaak en/of een vermogensrecht verkrijgt, en evenmin of er ten aanzien van de verkregen gebruiksrechten sprake is van koop, huur of een ander type verbintenis. Alleen de toepasselijkheid van Titel 7.1 BW komt aan de orde. En die titel is inderdaad van toepassing, want het aanschaffen van standaardsoftware lijkt voldoende op koop:

“In dit verband is in de eerste plaats van belang dat de toepasselijkheid van de kooptitel niet is beperkt tot de koop van zaken volgens de begripsomschrijving van art. 3:2 BW. Uit art. 7:47 BW, waarin is bepaald dat koop ook betrekking kan hebben op vermogensrechten, blijkt dat de wetgever de kooptitel van toepassing heeft geacht op alle goederen als bedoeld in art. 3:1 BW, en dus aan die titel een ruim bereik heeft willen geven wat betreft het voorwerp van de koopovereenkomst. Voorts is van belang dat een overeenkomst tot het aanschaffen van standaardcomputerprogrammatuur – op een gegevensdrager of via een download – voor een niet in tijdsduur beperkt gebruik tegen betaling van een bepaald bedrag ertoe strekt de verkrijger iets te verschaffen dat geïndividualiseerd is en waarover hij feitelijke macht kan uitoefenen. Dit alles pleit voor toepasselijkheid van de kooptitel op een zodanige overeenkomst. “

Daaraan voegt de Hoge Raad een rechtspolitiek argument toe:

“Deze toepasselijkheid is ook wenselijk omdat de kooptitel een uitgewerkte regeling geeft inzake conformiteit, klachtplicht en verjaring, en omdat met die toepasselijkheid de rechtspositie van de koper wordt versterkt (met name in het geval van consumentenkoop en koop op afstand). In al deze opzichten bestaat geen aanleiding de aanschaf van standaardsoftware te onderscheiden van de koop van zaken en vermogensrechten.”

Het oordeel van het hof, dat op iets andere gronden tot toepasselijkheid van art. 7:23 BW was gekomen, blijft dus in stand. Het hof moet van de Hoge Raad nog wel nader onderzoek naar (stuiting van) de verjaring doen. De Hoge Raad verwerpt ook het cassatieberoep in de vrijwaringszaak die X was begonnen tegen Bell Microproducts, van wie zij de software had overgenomen: ook de overeenkomst tussen X en Bell was door het hof terecht als koopovereenkomst behandeld.

Share This