HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:804 (Inversiones c.s./Cancun Holding I c.s.) en drie parallelzaken (ECLI:NL:HR:2014:797, ECLI:NL:HR:2014:799 en ECLI:NL:HR:2014:808)

In geval van een jointventurevennootschap wordt het belang van de vennootschap mede bepaald door de aard en inhoud van de tussen de aandeelhouders overeengekomen samenwerking. In een jointventurevennootschap waarin de aandeelhouders een gelijkwaardig aandeel hebben, kunnen die aard en inhoud meebrengen dat (ook) het vennootschapsbelang is gebaat bij continuering van evenwichtige verhoudingen tussen de aandeelhouders. Ook kan zulks meebrengen dat het bestuur van een vennootschap, zelfs bij gebreke van een wettelijke of statutaire informatieplicht, gehouden is de aandeelhouders te informeren over een door een van de aandeelhouders beoogde aandelenoverdracht.

Feiten

De Mexicaanse vennootschap Efesyde exploiteert een hotel in Cancun, Mexico. Die exploitatie is opgezet als een joint venture tussen de vennootschappen “Inversiones” en “Holding I”, die daartoe elk over de helft van de aandelen beschikten in de moedervenootschap van Efesyde, “Holding II”. Op enig moment heeft een financier (“Invernostra”) van Holding II haar lening om laten zetten in aandelen Holding II, waarna Inversiones en Holding I elk nog 46,5% van de aandelen hielden. Inversiones heeft vanwege installatiewerkzaamheden voor het hotelcomplex een vordering van ruim 14,5 miljoen US dollar op Efesyde verkregen.

Een andere financier, Banco Sabadell, had een syndicaatslening van 60 miljoen dollar aan Efesyde verstrekt. Na een verzoek om additionele financiering van 12 miljoen dollar heeft Banco Sabadell als voorwaarde gesteld dat de vordering van Inversiones op Efesyde binnen 15 dagen van de balans van Efesyde zou verdwijnen. Bij gebreke daarvan zou bovendien de reeds verstrekte lening van 60 miljoen dollar direct worden opgeëist.

Om dat te voorkomen zijn Inversiones en Holding I overeengekomen dat Efesyde aandelen aan Inversiones zou uitgeven, die Inversiones volstortte door verrekening met de vordering op Efesyde. Hierdoor verkreeg Inversiones een belang van 78% in Efesyde, terwijl het belang van Holding II in Efesyde afnam tot 22%. Nadat Banco Sabadell toch had geweigerd de additionele financiering te verstrekken, verzocht Holding I aan Inversiones – kort gezegd – de oorspronkelijke aandelenverhoudingen weer te herstellen. Inversiones wilde dat niet doen zonder dat zij op de een of andere manier betaling ontving van haar oorspronkelijke vordering.

Vervolgens heeft nog een aantal gebeurtenissen plaatsgevonden. Zo heeft Invernostra haar aandelen overgedragen aan Inversiones, waardoor Inversiones een meerderheidsbelang (53,5 %) in Holding II verkreeg.

Op verzoek van Holding I heeft de Ondernemingskamer een onderzoek gelast naar het beleid en de gang van zaken van Holding II (in de uitspraken aangeduid als “de Vennootschap”), naar aanleiding waarvan de Ondernemingskamer op een aantal punten heeft geoordeeld dat sprake is geweest van wanbeleid, waarvoor de OK Inversiones (en Invernostra) mede verantwoordelijk houdt. Hiertegen zijn vier cassatieberoepen ingesteld: door Inversiones en door drie van de bestuurders van Holding II. De citaten hieronder komen uit de beschikking in de Inversiones-zaak. De andere drie beschikking zijn inhoudelijk grotendeels gelijkluidend.

Vennootschappelijk belang bij een joint venture

De OK had geoordeeld dat het bestuur van de Vennootschap het verwijt treft dat het, door onvoldoende vastlegging van de afspraken omtrent de emissie aan Inversiones, een situatie heeft geschapen waarin de Vennootschap de controle over haar (via Efesyde gedreven) onderneming kon verliezen en daarmee haar continuïteit in gevaar heeft gebracht. Volgens de OK had het bestuur moeten vastleggen wat met de eerste verwatering werd beoogd en waarom voor de ruilverhouding was gekozen, en hadden voorwaarden moeten worden gesteld ter zake van een zakelijke ruilverhouding en over het maximale door Inversiones te verwerven tijdelijke belang, omtrent de duur ervan en de wijze waarop Inversiones dit tijdelijke belang al of niet mocht aanwenden. Niet is onder ogen gezien hoe gehandeld moest worden indien Banco Sabadell geen additionele financiering aan Efesyde zou verstrekken.

Inversiones voerde hiertegen aan dat het vennootschapsbelang en het belang van de aandeelhouders in geval van een joint venture als de onderhavige (vrijwel) geheel samenvallen. Alle aandeelhouders hadden in dit geval ingestemd met de emissie. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat het vennootschapsbelang meebracht dat het bestuur gehouden was de afspraken vast te leggen om daarmee te verhinderen dat de Vennootschap de controle over de onderneming blijvend zou verliezen. In ieder geval, zo heeft Inversiones aangevoerd, heeft de OK onvoldoende gemotiveerd waarom het vennootschapsbelang zo zwaar woog, althans zodanig afweek van de belangen van de gezamenlijke aandeelhouders, dat het bestuur zulks wel had moeten doen.

De Hoge Raad oordeelt anders en stelt voorop dat bestuurders zich bij de vervulling van hun taak moeten richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming (zie tegenwoordig art. 2:239 lid 5 BW). Wat dat belang inhoudt, hangt af van de omstandigheden van het geval. Indien aan de vennootschap een onderneming is verbonden, wordt het vennootschapsbelang in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming. De Hoge Raad gaat vervolgens specifiek in op de situatie van een jointventurevennootschap:

“In geval van een  joint venture -vennootschap wordt het belang van de vennootschap voorts bepaald door de aard en inhoud van de tussen de aandeelhouders overeengekomen samenwerking. De aard en inhoud van het samenwerkingsverband in een  joint venture -vennootschap waarin de aandeelhouders een gelijkwaardig aandeel hebben, kunnen meebrengen dat (ook) het vennootschapsbelang is gebaat bij continuering van evenwichtige verhoudingen tussen de aandeelhouders; dit kan betekenen dat de verhoudingen tussen de aandeelhouders niet verder mogen veranderen dan in het licht van de omstandigheden geboden is.

Bij de vervulling van hun taak dienen bestuurders voorts, mede op grond van het bepaalde in art. 2:8 BW, zorgvuldigheid te betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken […]. Deze zorgvuldigheidsverplichting kan meebrengen dat bestuurders bij het dienen van het vennootschapsbelang ervoor zorgen dat daardoor de belangen van al degenen die bij de vennootschap of haar onderneming zijn betrokken niet onnodig of onevenredig worden geschaad. […]

Elke bestuurder is gehouden om zich te richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming en om zorgvuldigheid te betrachten jegens al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken, ongeacht of een bestuurder is benoemd door of op voordracht van de vergadering van aandeelhouders van een bepaalde soort of aanduiding. Dat is niet anders indien de aandeelhouders nauw betrokken zijn bij de  joint venture -vennootschap of indien de statuten bepalen dat het bestuur zich dient te gedragen naar de aanwijzingen van een ander orgaan van de vennootschap.”

De OK heeft dit volgens de Hoge Raad niet miskend, en voor het overige laat de Hoge Raad de afweging van de betrokken belangen in het concrete geval aan de OK:

“Haar oordeel [= van de OK] houdt in dat het bestuur nalatig is geweest in de vaststelling en uitvoering van het beleid rondom de eerste verwatering. Naar het oordeel van de ondernemingskamer heeft deze nalatigheid ertoe geleid dat de Vennootschap de controle over haar onderneming blijvend kon verliezen waardoor haar continuïteit in gevaar werd gebracht en zij niet langer een positie kon kiezen die, gezien de tussen haar aandeelhouders ontstane onevenwichtige verhoudingen, voldoende onafhankelijk was. Daarbij heeft de ondernemingskamer acht geslagen op de aard van de Vennootschap als een  joint venture  die is aangegaan tussen twee gelijkwaardige partners, naderhand aangevuld met een aandeelhouder met een minderheidsbelang. Blijkens de rov. 3.20.1 en 3.20.2 heeft zij onderkend dat het vennootschapsbelang onder de gegeven omstandigheden meebracht dat de verhoudingen tussen de aandeelhouders niet verder zouden veranderen dan in het licht van de omstandigheden was geboden.  Zij heeft geoordeeld dat het bestuur zich geen rekenschap heeft gegeven van het eigen belang van de Vennootschap en van zijn eigen rol en taak hierin. Deze oordelen geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en zijn niet onbegrijpelijk.”

Informatieplicht bij aandelenoverdracht

Ook had de OK geoordeeld dat Holding I noch door Inversiones noch door Invernostra op de hoogte is gesteld van de beoogde aandelenoverdracht door Invernostra aan Inversiones. Volgens de OK hebben Inversiones en Invernostra aldus heimelijk afbreuk gedaan aan de tussen Inversiones en Holding I beoogde aandeelhoudersgelijkheid en daarmee – mede gelet op de overige omstandigheden van het geval – gehandeld in strijd met de redelijkheid en billijkheid die zij als aandeelhouders ten opzichte van elkaar en van Holding I in acht behoorden te nemen.

In cassatie klaagde Inversiones dat Invernostra en Inversiones niet hebben gehandeld in strijd met art. 2:8 BW, aangezien de overdracht was toegelaten op grond van de wet, de statuten en de aandeelhoudersovereenkomst. Inversiones voerde aan dat de aandelenoverdracht niet moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van de aanvankelijk (in 2006) beoogde aandeelhoudersgelijkheid, zonder enige relevantie toe te kennen aan gebeurtenissen die zich sindsdien hebben voorgedaan, maar tegen de achtergrond van de ten tijde van de overdracht van de aandelen geldende verhoudingen tussen de aandeelhouders. Die verhoudingen waren in de loop van de tijd veranderd en hadden telkens hun weerslag hadden gevonden in nieuwe aandeelhoudersovereenkomsten. In de geldende aandeelhoudersovereenkomst was niets bedongen over een verplichting over terugkeer naar een 50/50-verhouding na de uittreding van Invernostra, maar is, integendeel, met de andere aandeelhouders overeengekomen dat het aandeelhouders (waaronder Invernostra) vrij staat aandelen vrijelijk over te dragen aan een andere aandeelhouder. Inversiones heeft betoogd dat dus Inversiones en Invernostra al geen verwijt van wanbeleid kan worden gemaakt, maar dat dat – bij het ontbreken van een beletsel voor de aandelenoverdracht en bij het ontbreken van een informatieplicht van het bestuur – al helemaal geldt voor het bestuur van Holding II. Het bestuur was immers geen partij bij de transactie, die plaatsvond tussen twee van de drie aandeelhouders.

De Hoge Raad laat echter ook op dit punt de beschikking van de OK in stand:

“De Hoge Raad stelt voorop dat het bestuur van een vennootschap, bij gebreke van een wettelijke of statutaire informatieplicht, in beginsel niet gehouden is de aandeelhouders te informeren over een door een aandeelhouder beoogde aandelenoverdracht. Dat laat evenwel onverlet dat bestuurders zich dienen te richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming en dat zij zorgvuldigheid dienen te betrachten jegens al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken […].

De ondernemingskamer heeft geoordeeld dat het belang van de Vennootschap en de verplichting om zorgvuldigheid te betrachten jegens Holding I, in het onderhavige geval meebrachten dat het bestuur gehouden was om Holding I te informeren over de beoogde aandelenoverdracht en om te trachten om de 50/50-verhouding tussen Holding I en Inversiones te (doen) herstellen. Gelet op de aard van de Vennootschap als  joint venture  die was opgezet als samenwerking tussen twee gelijkwaardige partners, getuigt dit oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting. Ook heeft de ondernemingskamer dat oordeel […] voldoende gemotiveerd.”

Inversiones is in cassatie bijgestaan door Hans van Wijk en de auteur. Bij de Ondernemingskamer werd Inversiones bijgestaan door Ingmar Wassenaar en Roderik van Hees.

Share This