

Daden en verklaringen van de erflater bij uitleg van een testament
HR 15 februari 2013, LJN BY2595
Indien uitleg van een testament op de voet van art. 4:46 lid 1 BW tot de slotsom leidt dat (een deel van) het testament geen duidelijke zin heeft als bedoeld in art. 4:46 lid 2 BW, mogen bij de (nadere) uitleg van het testament daden of verklaringen van de erflater worden gebruikt. Het hof (dat de door één van de betrokkenen bij de nalatenschap verdedigde uitleg van het testament mede in de sleutel van de verbetering van een vergissing ex art. 4:46 lid 3 BW had geplaatst) heeft dit miskend. Lees meer…

Nieuwe verweren in incidenteel appel
HR 8 februari 2013, LJN BY6699 (X/LTO Noord Verzekeringen B.V.)
Een nieuw verweer gevoerd bij memorie van antwoord in incidenteel beroep, dat niet tevens als grief in principaal beroep is voorgesteld, kan, bij gegrondbevinding, niet tot een vernietiging van het dictum van het bestreden vonnis leiden, maar wel tot verwerping van het incidentele beroep. Lees meer…

Geen doorbreking mogelijk van rechtsmiddelenverbod art. 130 lid 2 Rv (II)
HR 8 februari 2013, LJN BY2599
Tegen een beslissing van de rechter over verandering of vermeerdering van eis staat ingevolge art. 130 lid 2 Rv geen hogere voorziening open. Gezien de aard van een dergelijke beslissing is ook de doorbrekingsjurisprudentie niet van toepassing. Lees meer…

Hoge Raad beantwoordt eerste prejudiciële vraag: hypotheekakte geen executoriale titel voor restschuld
HR 8 februari 2013, LJN BY4889 (Rabohypotheekbank N.V. c.s./X c.s.)
Een notariële akte levert alleen dan een executoriale titel in de zin van art. 430 Rv op indien deze betrekking heeft op vorderingen die op het tijdstip van het verlijden van de akte reeds bestaan en in de akte zijn omschreven, of op toekomstige vorderingen die hun onmiddellijke grondslag vinden in een op het tijdstip van het verlijden van de akte reeds bestaande en in de akte omschreven rechtsverhouding (vgl. HR 26 juni 1992, NJ 1993/449). De (standaard)hypotheekakte die de bank in dit geval heeft gehanteerd voldoet niet aan deze eisen en kan daarom niet als executoriale titel worden gebruikt voor de ‘restschuld’ die na uitwinning van het hypotheekrecht nog bestaat. Lees meer…

Afstand van vordering wegens niet-handhaving marginverplichting mogelijk
HR 8 februari 2013, LJN BY6313 (Eiser/Staalbankiers)
Een effecteninstelling zal de (eertijds) in art. 28 leden 3 en 4 Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999 neergelegde voorschriften inzake handhaving van de marginverplichting zelfs moeten naleven indien dat tegen de wens van de cliënt ingaat. De cliënt kan dus geen afstand doen van de bescherming die deze voorschriften hem bieden, maar hij kan wel afstand doen van vorderingen die voor hem voortvloeien uit het feit dat die voorschriften in het verleden jegens hem niet zijn nageleefd. Lees meer…

Datum feitelijke verdeling huwelijksgoederengemeenschap niet zonder meer peildatum voor waardering goederen
HR 8 februari 2013, LJN BY4279
(1) Als peildatum voor de waardering van de tot de huwelijksgoederengemeenschap behorende goederen geldt in de regel de datum van de verdeling. In de enkele omstandigheid dat partijen de tot de huwelijksgoederengemeenschap behorende goederen met wederzijdse instemming feitelijk hebben verdeeld, ligt echter nog niet besloten dat zij een verdeling als bedoeld in artikel 3:182 BW zijn overeengekomen.
(2) Met het wettelijk stelsel van art. 6:119 BW is onverenigbaar dat een gewezen echtgenoot, zonder in verzuim te zijn geraakt, zonder meer op aan de maatstaven van redelijkheid en billijkheid ontleende gronden zou zijn gehouden om aan de andere gewezen echtgenoot een rentevergoeding te betalen over een wegens overbedeling verschuldigde geldsom. Lees meer…

Instellen van eis sluit stuiting verjaring door schriftelijke aanmaning of mededeling niet uit
HR 8 februari 2013, LJN BX7846 (Van Lanschot/Verweerders)
De omstandigheid dat een eis is ingesteld of bindend advies is gevraagd laat onverlet dat de verjaring van de rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis ook kan worden gestuit door een schriftelijke aanmaning of mededeling als bedoeld in art. 3:317 lid 1 BW. Art. 3:316 lid 2 BW moet aldus worden uitgelegd dat het niet (tijdig) instellen van een nieuwe eis of het niet (tijdig) opnieuw vragen van bindend advies niet het intreden van de verjaring meebrengt, maar slechts tot gevolg heeft dat de stuitende werking van de eerder ingestelde eis of het eerdere gedane verzoek komt te vervallen. Lees meer…

Onderzoeks- en klachtplicht bij beleggingsadvies
HR 8 februari 2013, LJN BY4600 (Eisers/Rabobank)
(1) De in art. 6:89 BW verankerde onderzoeks- en klachtplicht van de schuldeiser is van toepassing op alle verbintenissen, waaronder ook die uit beleggingsadviesrelaties. De vraag of aan deze onderzoeks- en klachtplicht is voldaan, is afhankelijk van alle omstandigheden van het geval. Bij die beoordeling is van belang of de schuldenaar nadeel lijdt door het late tijdstip waarop de schuldeiser heeft geklaagd. De tussen het bekend worden van het gebrek en de klacht verstreken tijd vormt weliswaar een belangrijke factor, maar is niet doorslaggevend.
(2) Bij beleggingsadviesrelaties rust ingevolge art. 6:89 BW op de (particuliere) cliënt pas een onderzoeksplicht met betrekking tot de vraag of de bank haar zorgplicht heeft nageleefd, indien de cliënt van die zorgplicht op de hoogte is en gerede aanleiding heeft te veronderstellen dat de bank daarin kan zijn tekortgeschoten. Lees meer…

Eliminatieregel bij waardebepaling in onteigeningszaken ook van toepassing bij waardevermeerderende bestemming
HR 8 februari 2013, LJN BY4119 (Ballast Nedam/Staat)
(1) Indien de bestemming van het onteigende destijds in het bestemmingsplan is bepaald met het oog op een concrete (toekomstige) invulling van die bestemming, moet dat bestemmingsplan bij de waardebepaling van het onteigende worden weggedacht. Dat geldt ook indien de te elimineren bestemming van waardevermeerderende invloed is. (2) Art. 50 Ow, waarin de vergoeding van proceskosten in onteigeningsprocedures is geregeld, is niet van toepassing op de cassatieprocedure. Lees meer…

Art. 843a Rv-vordering ook mogelijk in kort geding tijdens lopende bodemprocedure
HR 8 februari 2013, LJN BY6111 (DB Schenker/Prorail)
Een vordering tot inzage van bescheiden op grond van art. 843a Rv kan worden ingesteld in een afzonderlijk kort geding, ook tijdens een lopende bodemprocedure. Lees meer…