HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:942 (Achmea/Verweerder)

Indien een verzekeraar bij het uitvoeren van een persoonlijk onderzoek handelt in strijd met de Gedragscode Persoonlijk Onderzoek, kan tot uitgangspunt worden genomen dat er sprake is van een onrechtmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verzekerde. In casu heeft het hof kunnen oordelen dat de resultaten van het persoonlijk onderzoek, als onrechtmatig verkregen bewijs, buiten beschouwing dienen te blijven.

Achtergrond

Verweerder heeft als verzekerde van Interpolis (de rechtsvoorgangster van Achmea) een arbeidsongeschiktheidsuitkering genoten. Interpolis heeft die verzekering beëindigd naar aanleiding van een door haar gelast “persoonlijk onderzoek”, waaruit bleek dat verweerder (in strijd met de polisvoorwaarden) bewust onjuiste informatie had verstrekt. Meer concreet was door een extern onderzoeksbureau geconstateerd dat er een “groot verschil” was tussen de mededelingen die verweerder in een vragenlijst, zijn dagboek en bij de arbeidsdeskundige had gedaan, en hetgeen naar voren kwam uit observaties.

In dit geding vordert Interpolis restitutie van gedane uitkeringen en vergoeding van de kosten van het onderzoeksrapport wegens verzekeringsfraude. Centraal staat de vraag of de resultaten van het persoonlijk onderzoek tot bewijs mogen dienen.

Het hof oordeelde van niet. Daartoe verwees het hof naar de Gedragscode Persoonlijk Onderzoek van het Verbond van Verzekeraars[1] en de daarin verankerde beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Hieruit leidde het hof af dat voor het instellen van een persoonlijk onderzoek eerst plaats is indien sprake is van een “structureel weigeren” van de verzekerde om medewerking te verlenen aan de schadebehandeling (hetgeen in casu gesteld noch gebleken was). Voorts oordeelde het hof dat de door Interpolis gestelde feiten en omstandigheden geen redelijk vermoeden van structurele misleiding opleverden. Daarom achtte het hof het onderzoek, als strijdig met de Gedragscode (en met name het daarin verankerde subsidiariteitsbeginsel), onrechtmatig.

In het verlengde hiervan oordeelde het hof dat de resultaten van het persoonlijk onderzoek niet tot bewijs konden dienen. Daartoe overwoog het hof dat het niet strookt met het doel van de Gedragscode, om een verzekeraar die de Gedragscode schendt te “belonen” door het onrechtmatig door haar verkregen bewijs tot haar voordeel te laten strekken.

Uitleg Gedragscode: persoonlijk onderzoek slechts indien verzekerde niet meewerkt?

In cassatie klaagt Interpolis (Achmea) allereerst over ’s hofs uitleg van de Gedragscode, en met name de door het hof daarin gelezen eis van “structurele weigering” tot medewerking. Die uitleg doet volgens Interpolis onvoldoende recht aan de eigen “beoordelingsmarge” van de verzekeraar bij het uitvoeren van een persoonlijk onderzoek.

Deze klacht faalt. De Hoge Raad stelt in rov. 5.2.1 voorop dat het instellen door een verzekeraar van een persoonlijk onderzoek een inbreuk vormt op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verzekerde en daarmee in beginsel onrechtmatig is, behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond. Of zulk een rechtvaardigingsgrond zich voordoet, is (hier) afhankelijk van een afweging van enerzijds het belang van de verzekerde bij eerbieding van zijn persoonlijke levenssfeer en anderzijds het belang van de verzekeraar bij het onderkennen, voorkomen, onderzoeken en bestrijden van verzekeringsfraude.

Met de Gedragscode – een vorm van zelfregulering, die aansluit bij bestaande wetgeving op het gebied van privacy – heeft het Verbond van Verzekeraars beoogd invulling te geven aan deze  belangenafweging. Gelet op inhoud en opzet van de Gedragscode kan volgens de Hoge Raad tot uitgangspunt worden genomen dat indien een verzekeraar daarmee in strijd handelt, sprake is van een ongerechtvaardigde en derhalve onrechtmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verzekerde. Het hof heeft dus terecht getoetst aan de in de Gedragscode uitgewerkte beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Overigens kan ’s hofs uitleg van de Gedragscode in cassatie niet op juistheid (maar alleen op begrijpelijkheid) worden getoetst, omdat de Gedragscode berust op zelfregulering en (dus) niet kan worden aangemerkt als “recht” in de zin van art. 79 RO (rov. 5.2.1).

Tegen deze achtergrond faalt de klacht over ’s hofs uitleg van de Gedragscode. Volgens de Hoge Raad heeft het hof daarmee tot uitdrukking gebracht dat het “veel zwaardere middel van een persoonlijk onderzoek” pas mag worden ingezet indien “de conclusie gerechtvaardigd is dat het vragen van (nadere) medewerking van de verzekerde zelf geen zin heeft”. Die uitleg van de Gedragscode acht de Hoge Raad niet onbegrijpelijk (rov. 5.3.2).

Bewijsuitsluiting persoonlijk onderzoek wegens strijd met Gedragscode?

Ten tweede klaagde Achmea in cassatie over ’s hofs terzijdelegging van de resultaten van het persoonlijk onderzoek, als onrechtmatig verkregen bewijs.

Dienaangaande stelt de Hoge Raad in rov. 5.2.2 voorop dat, gelet op het in rov. 5.2.1 genoemde uitgangspunt dat een inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer bij afwezigheid van een rechtvaardigingsgrond onrechtmatig is, het met die inbreuk verkregen bewijsmateriaal als “onrechtmatig verkregen” moet worden aangemerkt. Dit betekent echter niet zonder meer dat de rechter daarop geen acht mag slaan. Onder verwijzing naar vaste rechtspraak overweegt de Hoge Raad dat voor uitsluiting van onrechtmatig verkregen bewijs in civilibus “bijkomende omstandigheden” zijn vereist:

“5.2.3 Art. 152 Rv bepaalt dat bewijs door alle middelen kan worden geleverd en dat de waardering van het bewijs aan het oordeel van de rechter is overgelaten, tenzij de wet anders bepaalt. In een civiele procedure geldt niet als algemene regel dat de rechter op onrechtmatig verkregen bewijs geen acht mag slaan. In beginsel wegen het algemene maatschappelijke belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, alsmede het belang dat partijen erbij hebben hun stellingen in rechte aannemelijk te kunnen maken, welke belangen mede aan art. 152 Rv ten grondslag liggen, zwaarder dan het belang van uitsluiting van bewijs. Slechts indien sprake is van bijkomende omstandigheden, is terzijdelegging van dat bewijs gerechtvaardigd (HR 7 februari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0500, NJ 1993/78, en HR 12 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0860, NJ 1993/599).”

In casu heeft het hof volgens de Hoge Raad bij zijn terzijdelegging van de resultaten van het persoonlijk onderzoek mede het doel van de Gedragscode in aanmerking genomen, waarmee (aldus de Hoge Raad onder verwijzing naar zijn vooropstelling in rov. 5.2.1) niet strookt dat in de omstandigheden van dit geval (de Hoge Raad verwijst hierbij naar de in rov. 3.4.4 genoemde omstandigheden dat volgens het hof geen redelijk vermoeden van structurele misleiding bestond en niet gebleken was van een structureel gebrek aan medewerking van verweerder) in strijd daarmee verkregen bewijsmateriaal toch door een verzekeraar kan worden gebruikt. Dit oordeel geeft volgens de Hoge Raad geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onvoldoende gemotiveerd (rov. 5.4.2).

Volgt verwerping van het cassatieberoep, in lijn met de conclusie van plv. P-G De Vries Lentsch-Kostense, die onder 17 e.v. algemene beschouwingen wijdt aan de inbreuk op privacy als grondslag voor onrechtmatigheid en aan de uitsluiting van onrechtmatig verkregen bewijs in civilibus.


[1] In casu ging het om de Gedragscode Persoonlijk Onderzoek 2004, die per 21 december 2011 is vervangen door een hernieuwde versie. Zie nader de conclusie van plv. P-G De Vries Lentsch-Kostense, sub 19 e.v.

Share This