HR 5 oktober 2012, LJN BX5582, BX5583, BX5587, BX5589, BX5591 en BX6397

Ook een meervoudige kamer van de Hoge Raad met vijf leden kan een zaak verwerpen met toepassing van art. 81 RO.

Een stukje voor de liefhebber. De civiele kamer van de Hoge Raad bestaat momenteel uit tien leden. Behalve rolbeslissingen die door de rolraadsheer enkelvoudig worden afgedaan, worden uitspraken van de Hoge Raad altijd gedaan door drie of vijf leden, die van tevoren op de specifieke zaak zijn ingedeeld. De andere leden van de civiele kamer mogen wel meepraten, maar niet meebeslissen.

Of een zaak door een zetel van drie of van vijf raadsheren wordt beslist, hangt vooral af van de inschatting van de complexiteit van de zaak. Vijf is de hoofdregel, maar de voorzitter van een kamer van vijf raadsheren kan beslissen dat zaken die daarvoor geschikt zijn, worden behandeld door een kamer van drie raadsheren. Het gaat dan vooral om zaken die tamelijk overzichtelijk zijn en waarin bijvoorbeeld geen nieuwe rechtsvragen spelen waarbij het wenselijk is dat meerdere raadsheren daarover beslissen. Vindt een lid van zo’n drieformatie de zaak toch te bewerkelijk voor afdoening door drie leden, dan wordt de zaak weer terugverwezen naar een vijfformatie. De conclusie van de procureur-generaal zal in de besluitvorming door de voorzitter van de meervoudige kamer een rol spelen: daaruit blijkt vaak al om wat voor soort kwestie het gaat en of de zaak in een drieformatie kan worden afgedaan. Volgens het jaarverslag over 2011 wordt ongeveer 75% van de zaken wordt afgedaan door drie raadsheren, en 25% door vijf.

De Hoge Raad kan cassatieberoepen verwerpen met toepassing van art. 81 lid 1 RO. De cassatieklachten zijn dan wel volledig beoordeeld, maar ongegrond bevonden. Als de reden waarom de klachten ongegrond zijn, niet van belang is voor de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, hoeft de Hoge Raad die verwerping niet inhoudelijk te motiveren. De Hoge Raad volstaat dan met de mededeling dat de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikeling. Een verwerping met toepassing van art. 81 lid 1 RO – en dat doet zich voor in ongeveer de helft van alle cassatieberoepen en in ruim tweederde van de verwerpingen – betekent dus op zichzelf niet dat het cassatieberoep bij voorbaat kansloos was (hoewel, omgekeerd, de bij voorbaat kansloze cassatieberoepen, als ze tegenwoordig al door de poort van art. 80a RO komen, vaak wel met art. 81 RO worden afgedaan).

In de praktijk zijn de meeste zaken die met toepassing van art. 81 RO worden afgedaan, zaken die waren toegewezen aan een drieformatie. Maar dat hoeft niet: wanneer in een zaak die zich niet leende voor afdoening door een kamer van drie leden, uiteindelijk het cassatieberoep toch wordt verworpen zonder dat de klachten nopen tot de beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, dan is aan het vereiste van art. 81 RO voldaan.

Nu is bij de invoering van art. 80a RO in de Wet RO opgenomen dat 80a-beslissingen worden beslist door een kamer met drie leden. Dat was afgeleid van de praktijk van 81-beslissingen, die “doorgaans”, aldus de wetgever, in drieformatie worden afgedaan. De wetgever vond het echter ook wenselijk die 81-praktijk “wettelijk als algemene leidraad te verankeren”, met als gevolg dat er nu in art. 81 lid 2 Wet RO staat dat het cassatieberoep wordt behandeld en beslist door drie leden van de meervoudige kamer. Betekent dat nu dat een vijfformatie geen art. 81 RO meer mag toepassen?

Hoewel een aanwijzing daarvoor kan worden gelezen in de opmerking van de minister dat art. 80a-beroepen “eveneens altijd” worden behandeld en beslist door drie raadsheren, blijkt ook weer niet met zoveel woorden uit de parlementaire geschiedenis dat het echt de bedoeling was 81-uitspraken tot drieformaties te beperken. Eerder lijkt de minister, naar aanleiding van een vraag van de VVD-fractie in de Tweede Kamer, te hebben willen vastleggen dat art. 81-verwerpingen niet door een enkelvoudige, maar door een meervoudige kamer worden afgedaan, en is het aantal van drie opgenomen omdat dat in “nagenoeg alle zaken die met toepassing van artikel 81 Wet RO worden afgedaan”, het geval is.

Op 5 oktober 2012 heeft de Hoge Raad echter in maar liefst zes zaken die zijn beslist door vijf raadsheren art. 81 RO toegepast. Spontaan merkt de Hoge Raad in die arresten maar even op:

“dat art. 81 lid 2 RO […] weliswaar bepaalt dat het cassatieberoep wordt behandeld en beslist door drie leden van een meervoudige kamer, maar dat deze bepaling blijkens de wetsgeschiedenis […] slechts de bestaande werkwijze van de Hoge Raad beoogt te formaliseren en dus niet uitsluit dat de Hoge Raad in een cassatieberoep dat wordt behandeld en beslist door een meervoudige kamer van vijf leden, toepassing geeft aan het bepaalde in art. 81 lid 1 RO.”

Share This