HR 17 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:746 (Conservatrix Groep/De Nederlandsche Bank c.s.)

Overdracht van aandelen in verzekeraar Conservatrix op grond van door DNB opgesteld overdrachtsplan. Uit de motivering van de beslissing van de rechtbank blijkt dat zij de oordelen van DNB en de daartegen door Conservatrix Groep aangevoerde argumenten inhoudelijk heeft onderzocht en daarbij niet terughoudender is geweest dan de wettelijke regeling voorschrijft.

Conservatrix Groep was houder van alle aandelen in levensverzekeraar Conservatrix. DNB heeft op de voet van art. 3:159c lid 1 (oud) Wft een overdrachtsplan voorbereid en de rechtbank Amsterdam op de voet van art. 3:159u (oud) Wft verzocht om dat plan goed te keuren en de overdrachtsregeling uit te spreken. De rechtbank wees op 15 mei 2017 deze verzoeken toe. Conservatrix Groep stelde vervolgens op 15 augustus 2017 cassatieberoep in.

Op 6 april 2018 oordeelde de Hoge Raad in deze zaak al in een ontvankelijkheidsincident dat door DNB was opgeworpen (besproken in CB 2018-91). In de hier te bespreken beschikking beoordeelt de Hoge Raad de zaak inhoudelijk.

Conservatrix Groep had in cassatie een flink aantal klachten gericht tegen de beschikking van de rechtbank (zie daarvoor de uitvoerige conclusie van Advocaat-generaal Timmerman). De Hoge Raad bespreekt alleen onderdeel 2 van het cassatiemiddel en wijst de overige klachten af onder verwijzing naar art. 81 lid 1 RO.

Met onderdeel 2 had Conservatrix Groep geklaagd dat de rechtbank het verzoek van DNB om het door haar voorbereide overdrachtsplan goed te keuren en de overdrachtsregeling uit te spreken te terughoudend had getoetst. Volgens Conservatrix Groep kwam die toetsing neer op marginale toetsing, maar had de rechtbank ten volle moeten onderzoeken of de verzochte overdracht noodzakelijk was.

De Hoge Raad vat eerst de regeling van de gedwongen overdracht van een verzekeraar samen zoals die ten tijde van de bestreden beschikking gold (rov. 3.4.1). Art. 3:159 ij lid 1 (oud) Wft bepaalde dat de rechtbank de overdrachtsregeling uitspreekt indien zij het door DNB voorbereide overdrachtsplan goedkeurt en indien summierlijk blijkt dat zich een situatie als bedoeld in art. 3:159c lid 1 (oud) Wft voordoet (“dat er ten aanzien van een verzekeraar tekenen van een gevaarlijke ontwikkeling zijn met betrekking tot het eigen vermogen, de solvabiliteit of de liquiditeit onderscheidenlijk de technische voorzieningen, en redelijkerwijs is te voorzien dat die ontwikkeling niet voldoende of niet tijdig ten goede zal keren”). De rechtbank kon een verweer van de verzekeraar tegen het oordeel van DNB dat zich een dergelijke situatie voordoet alleen gegrond bevinden als DNB in redelijkheid niet tot dat oordeel had kunnen komen (art. 3:159ij lid 2 (oud) Wft jo. art. 3:159x (oud) Wft).

Vervolgens bespreekt de Hoge Raad de parlementaire geschiedenis van art. 3:159ij lid 1 (oud) Wft (onder verwijzing naar de conclusie van A-G Timmerman). Kort gezegd, blijkt daaruit dat in de ontwerptekst van dat artikel was opgenomen dat de rechtbank de overdrachtsregeling zou uitspreken tenzij DNB “in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot het oordeel dat de situatie als bedoeld in [art. 3:159c lid 1 (oud) Wft] zich voordoet.” In de toelichting bij het ontwerp werd opgemerkt dat een terughoudende toetsing door de rechtbank werd beoogd, waarbij onder meer werd verwezen naar het stelsel van de faillissementswet (waarin op grond van art. 6 lid 3 Fw slechts summierlijk hoeft te blijken van feiten of omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar in een toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen). In zijn advies plaatste de Raad van State een kanttekening bij de formulering die in het ontwerpartikel werd gebruikt: daaruit wordt niet duidelijk of met de beoogde “marginale toetsing” door de rechtbank een afwijking van de formulering van art. 6 lid 3 Fw was beoogd. In reactie hierop werd het wetsvoorstel aangepast en aangesloten bij de terminologie van de Faillissementswet (zie rov. 3.4.4 van de beschikking). Uit de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer, en uit de systematiek van de toenmalige bepalingen van de Wft, blijkt dat met deze terminologische wijziging geen inhoudelijke wijziging was beoogd (rov. 3.4.6).

De Hoge Raad citeert vervolgens de overwegingen van de rechtbank die zien op de vraag of er ten aanzien van Conservatrix tekenen van een gevaarlijke ontwikkeling waren en of redelijkerwijs was te voorzien dat die niet voldoende of niet tijdig ten goede zouden keren. De Hoge Raad oordeelt vervolgens:

3.6 Dat de rechtbank in rov. 4.13.3 en 4.14.4 overweegt dat DNB voldoende redenen heeft aangevoerd op grond waarvan DNB tot het daar onderzochte oordeel heeft kunnen komen, betekent niet dat de rechtbank bij haar beoordeling te terughoudend is geweest. In de eerste plaats blijkt uit de parlementaire geschiedenis, zoals hiervoor in 3.4.2-3.4.6 weergegeven, dat de wetgever met het vervangen in art. 3:159ij lid 1 (oud) Wft van het criterium ‘in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot het oordeel’ door ‘summierlijk blijken’ niet heeft beoogd de rechter het verzoek anders dan terughoudend te laten beoordelen. In de tweede plaats heeft de rechtbank in de bedoelde overwegingen ook, en wel in de eerste plaats, onderzocht of aan het criterium ‘summierlijk blijken’ was voldaan, hetgeen volgens de rechtbank het geval was. In de derde plaats blijkt uit de motivering van de beslissingen van de rechtbank dat zij de oordelen van DNB en de daartegen door Conservatrix Groep aangevoerde argumenten inhoudelijk heeft onderzocht en daarbij niet terughoudender is geweest dan de wettelijke regeling voorschrijft. De klacht faalt daarom.”

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep.

DNB is in cassatie bijgestaan door Hans van Wijk en Maarten Jansen.

Share This