HR 5 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1864
Ambtshalve toetsing overeenkomstig de Richtlijn oneerlijke bedingen (93/13/EEG) betekent dat de rechter zelfstandig dient te beoordelen of een beding oneerlijk is en de instructiemaatregelen moet nemen die nodig zijn om de volle werking van de richtlijn te verzekeren. Dit laat onverlet dat feiten en omstandigheden die door de ene partij zijn gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende zijn betwist, door de rechter als vaststaand moeten worden beschouwd (art. 149 lid 1 Rv).
Achtergrond en geschil in feitelijk instanties
De Gemeente Amsterdam geeft sinds begin vorige eeuw grond uit in voortdurende erfpacht tegen een jaarlijks te betalen canon. Eisers zijn erfpachters in de Gemeente. Zij vorderen in hoger beroep onder meer een verklaring voor recht dat art. 6 van de Algemeene Bepalingen voor voortdurende erfpacht 1937 Amsterdam (AB1937) en art. 11 van de Algemene Bepalingen voor voortdurende erfpacht 2000 Amsterdam (AB2000) onredelijk bezwarend zijn. Deze bepalingen houden in dat de Gemeente bevoegd is om bij aanvang van een nieuw tijdvak (zoals gedefinieerd in de erfpachtovereenkomst) de canon te herzien.
Het hof heeft de vorderingen van eisers afgewezen. Het overwoog onder meer dat de Richtlijn oneerlijke bedingen (93/13/EEG) enkel van toepassing is op overeenkomsten die na 1994 zijn gesloten. De AB1937 zijn al in 1941 van toepassing verklaard op het erfpachtrecht van eiser 1 en zij vielen volgens het hof daarom buiten de reikwijdte van Richtlijn 93/13. Daaraan deed volgens het hof niet af dat de bestemming van het erfpachtrecht in 2010 was gewijzigd.
De Hoge Raad
Bestemmingswijziging in 2010 leidt niet tot toepasselijkheid van Richtlijn 93/13
Onderdeel I van het middel is gericht tegen het oordeel van het hof dat de Richtlijn oneerlijke bedingen niet van toepassing is op de AB1937. Volgens eiser 1 heeft het hof met dit oordeel miskend dat met het wijzigen van het erfpachtrecht in 2010 een nieuw erfpachtrecht is ontstaan, waarop de AB1937 toen –ná de inwerkingtreding van Richtlijn 93/13 – opnieuw van toepassing zijn verklaard.
Deze klacht faalt. De Hoge Raad overweegt dat in het oordeel van het hof besloten ligt dat de bestemmingswijziging in 2010 niet heeft geleid tot het ontstaan van een nieuw erfpachtrecht. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting.
Hof had de AB1937 moeten toetsten aan art. 6:233 BW
Onderdeel I klaagt verder dat het hof – ook als er geen verplichting bestond om (ambtshalve) te toetsten of het beding oneerlijk is in de zin Richtlijn 93/13 – wel had moeten toetsen aan art. 6:233 sub a BW. Deze klacht slaagt.
De Hoge Raad overweegt dat art. 6:233 sub a BW per 1 januari 1993 van toepassing is op algemene voorwaarden die op 1 januari 1992 reeds door een partij in haar overeenkomsten werden gebruikt (art. 191 lid 1 Ow NBW). Een beding in dergelijke algemene voorwaarden kan dus na 1 januari 1993 op grond van art. 6:233 sub a BW worden vernietigd. Dat artikel is dus ook van toepassing op de AB1937 die gelden in de verhouding tussen eiser 1 en de Gemeente.
Eiser 1 heeft een verklaring voor recht gevorderd dat art. 6 AB1937 jegens hem onredelijk bezwarend is en heeft gesteld dat hij dit beding heeft vernietigd, althans dat hij het vernietigt. Eiser 1 had zijn betoog in de sleutel van Richtlijn 93/13 geplaatst. Dat eiser 1 niet specifiek is ingegaan op toetsing aan art. 6:233 sub a BW neemt volgens de Hoge Raad niet weg dat het hof het beroep op vernietigbaarheid van het canonsherzieningsbeding uit de AB1937 had moeten toetsten aan dit artikel.
Art. 149 lid 1 Rv geldt ook bij ambtshalve toetsing
Onderdeel II van het middel klaagt dat het hof bij de toetsing van art. 11 AB2000 heeft miskend dat ambtshalve toetsing overeenkomstig Richtlijn 93/13 inhoudt dat de normale regels van stelplicht en bewijslast niet van toepassing zijn.
Deze klacht faalt omdat zij berust op een onjuiste rechtsopvatting. De Hoge Raad overweegt dat ambtshalve toetsing betekent dat de rechter zelfstandig dient te beoordelen of een beding oneerlijk is en de instructiemaatregelen moet nemen die nodig zijn om de volle werking van Richtlijn 93/13 te verzekeren (vgl. HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691, rov. 3.9.1 en 3.9.2). Dit laat echter onverlet dat feiten en omstandigheden die door de ene partij zijn gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende zijn betwist, door de rechter als vaststaand worden beschouwd (art. 149 lid 1 Rv). Deze regel van Nederlands procesrecht heeft ook werking onder het toepasselijke Unierecht, meer in het bijzonder het doeltreffendheidsbeginsel.
De Hoge Raad overweegt dat het hof zich kennelijk door partijen voldoende voorgelicht heeft geacht om de oneerlijkheid van art. 11 AB2000 te kunnen beoordelen. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.
Afdoening
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof Amsterdam voor zover gewezen tussen eiser 1 en de Gemeente en verwijst de zaak (na een herstelarrest) naar het hof Den Haag. Dit is in lijn met de conclusie van A-G Wissink. Zie over de stelplicht en bewijslast bij ambtshalve toetsing i.h.b. randnummers 3.12 t/m 3.18 van de conclusie.