HR 16 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:763

In het wettelijk stelsel van art. 6:248 BW en art. 6:258 BW kan een contractuele bepaling niet op grond van alleen de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid worden ‘uitgeschakeld’ op de wijze die het hof in deze zaak doet. Het hof had in dit geval een opzegtermijn van een maand vervangen door een termijn van drie maanden.

Achtergrond van de zaak

Get Moving en Bosch exploiteren een transportbedrijf. DPD voert een expeditiebedrijf. Get Moving en Bosch vervoeren sinds 2008 respectievelijk 2012 pakketten voor DPD op basis van een overeenkomst. Deze overeenkomst bepaalt dat de overeenkomst wordt aangegaan voor een jaar en daarna telkens stilzwijgend wordt verlengd voor een jaar, met een opzegtermijn van een maand.

DPD heeft de overeenkomsten in 2018 opgezegd met inachtneming van de opzegtermijn. Get Moving en Bosch verzetten zich daartegen en vorderen schadevergoeding.

Oordeel hof

Get Moving en Bosch stellen dat zij voor hun bedrijfsvoering afhankelijk zijn geworden van DPD en de opzegtermijn in dat licht te kort dag was. Het hof gaat daarin mee (ECLI:NL:GHSHE:2024:73).

Volgens het hof is de samenwerking tussen partijen in de loop der jaren substantieel uitgebreid. Daarom lag het volgens het hof in de rede dat partijen de opzegregeling zouden aanpassen. Dat is niet gebeurd. Dit is in de ogen van het hof een leemte, die zich laat opvullen met de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 1 BW). Het hof oordeelt dat een opzegtermijn van drie maanden redelijk was geweest jegens Get Moving en een opzegtermijn van twee maanden jegens Bosch.

Het voorgaande betekent volgens het hof dat DPD toerekenbaar is tekortgeschoten jegens Get Moving en Bosch door op te zeggen met inachtneming van een opzegtermijn van een maand. Get Moving en Bosch kunnen aanspraak maken op vergoeding van de hieruit voor hen voortvloeiende schade (art. 6:74 BW), aldus het hof.

De Hoge Raad vernietigt: aanvullende werking versus wanprestatie

DPD klaagt in cassatie dat het hof ten onrechte op grond van verandering van omstandigheden een leemte in de overeenkomst heeft aangenomen en deze met toepassing van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid heeft ingevuld. Dit terwijl de overeenkomst een regeling bevat van de opzegging en van de daarvoor geldende termijn. Het hof had de regeling van de opzegging moeten toetsen aan de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid en daarbij het onaanvaardbaarheidscriterium moeten hanteren, zo luidt de klacht.

De Hoge Raad vindt die klacht gegrond. De Hoge Raad herhaalt eerst het bekende juridische kader voor de beoordeling van een opzegging van een duurovereenkomst met een opzegregeling (rov. 3.2). Dat komt erop neer dat een opzegging op grond van zo’n regeling in beginsel mogelijk is, maar in sommige gevallen aan aanvullende vereisten moet voldoen (art. 6:248 lid 1 BW) of zelfs naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (art. 6:248 lid 2 BW).

Het hof is in deze zaak buiten dat kader getreden (rov. 3.4). Het oordeel van het hof komt immers erop neer dat de contractuele opzegtermijn van een maand buiten toepassing blijft en op grond van gedurende de uitvoering van de overeenkomst gewijzigde omstandigheden wordt vervangen door een termijn van drie (DPD) of twee (Bosch) maanden. In het wettelijk stelsel van art. 6:248 BW en art. 6:258 BW kan een contractuele bepaling niet op grond van alleen de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid op deze manier worden ‘uitgeschakeld’, aldus de Hoge Raad.

Op zichzelf kan de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat degene die gebruik wil maken van een contractuele opzegmogelijkheid onder omstandigheden gehouden kan zijn de wederpartij aan te bieden een (schade)vergoeding te betalen, en dat bij het bepalen van de omvang van deze (schade)vergoeding van belang kan zijn of de opzeggende partij aan de wederpartij een langere dan de contractuele opzegtermijn gunt of – bij beoordeling achteraf – heeft gegund. Maar op een dergelijke toepassing van de aanvullende werking berust het oordeel van het hof volgens de Hoge Raad niet.

Het verschil tussen de benadering van het hof en een juiste toepassing van art. 6:248 lid 1 BW, is dat als bij de bedoelde toepassing van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid op de contractueel bepaalde termijn wordt opgezegd zonder het aanbieden van een vergoeding, de hoogte van de dan alsnog te bepalen (schade)vergoeding afhangt van wat in de omstandigheden van het geval uit redelijkheid en billijkheid voortvloeit. In zo’n geval hangt de hoogte van de (schade)vergoeding niet af van de hypothetische gevalsvergelijking die het hof op grond van wanprestatie (art. 6:74 BW) tot uitgangspunt heeft genomen.

Volgt vernietiging en verwijzing. Daarmee wijkt de Hoge Raad af van de conclusie van A-G Assink.

Share This

Cassatieblog.nl