Selecteer een pagina

HR 12 juni 2026 ECLI:NL:HR:2026:908

De wet bevat geen termijn voor het instellen van een rechtsmiddel met een beroep op doorbreking van een rechtsmiddelenverbod of voor het instellen van een cassatieberoep tegen een daarop gedane uitspraak. Volgens rechtspraak van de Hoge Raad moet worden aangesloten bij de termijn die geldt voor beslissingen in de zin van titel III Schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van de faillissementswet, waar wel is voorzien in een rechtsmiddel. Die termijn van het instellen van een beroep in cassatie bedraagt acht dagen na de dag van de uitspraak.

Achtergrond

De goederen van de schuldenaar zijn onder bewind gesteld. Nadien is de schuldenaar toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. Haar beschermingsbewindvoerder heeft verzocht dat de kosten van het beschermingsbewind worden opgenomen in de zogenoemde  ‘vrij te laten bedrag’ als bedoeld in art. 295 lid 3 Fw. De rechter-commissaris heeft dat verzoek afgewezen en hoewel van die beslissing op grond van art. 315 lid 2 Fw geen beroep openstaat heeft de beschermingsbewindvoerder daartegen hoger beroep ingesteld. Hij heeft daarbij een aantal doorbrekingsgronden aangevoerd waardoor hij volgens hem toch ontvankelijk is in het hoger beroep. De rechtbank heeft geoordeeld dat geen van die gronden slaagt. In cassatie komt de beschermingsbewindvoerder hiertegen op.

De Hoge Raad

De Hoge Raad oordeelt in rov. 3.2:

3.2 Volgens rechtspraak van de Hoge Raad is de termijn van het instellen van beroep in cassatie tegen een op de voet van art. 315 lid 1 Fw gegeven beschikking van de rechtbank waarmee doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van art. 360 Fw wordt beoogd, acht dagen na de dag van de uitspraak. Met het ook op de hanteerbaarheid in de praktijk van de in dit verband in acht te nemen termijnen moet voor het op de hanteerbaarheid in de praktijk van de in dit verband in acht termijnen voor het instellen van beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank waarin een beroep op doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van at. 315 lid 2 Fw is afgewezen van dezelfde termijn worden uitgegaan.

Het cassatieberoep tegen de beschikking van de rechtbank van 19 november 2025 is ingesteld op 28 november 2025 en dus niet binnen acht dagen na de dag van de uitspraak.

De Hoge Raad verklaart de beschermingsbewindvoerder niet-ontvankelijk is zijn beroep.

Share This

Cassatieblog.nl