HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:276

Onroerende zaken verkregen krachtens Italiaans erfrecht vallen, ingeval er geen uitsluitingsclausule is gemaakt, op grond van art. 1:94 lid 2 BW in de Nederlandse huwelijksgoederengemeenschap. De enkele omstandigheid dat het op de erfrechtelijke verkrijging toepasselijke buitenlandse recht niet een algehele gemeenschap van goederen als huwelijksvermogensregime kent of tot uitgangspunt neemt, maakt toepassing van deze regel nog niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

Achtergrond

In deze zaak gaat het om een Nederlandse man en een Italiaanse vrouw die in 1968 met elkaar zijn gehuwd zonder het maken van huwelijkse voorwaarden. Op het huwelijksvermogensregime is Nederlands recht van toepassing. De vrouw heeft voordat zij in het huwelijk trad, krachtens Italiaans erfrecht in Italië gelegen onroerende zaken verkregen. Naar Italiaans recht komt een erfenis uitsluitend toe aan de verkrijger en niet aan diens echtgenoot. In 1981 is het huwelijk ontbonden, maar de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap is tot op heden nog niet verdeeld. In geschil is of de Italiaanse onroerende zaken tot de Nederlandse huwelijksgoederengemeenschap behoren.

Artikel 1:94 lid 2 BW; goederen vallen in gemeenschap, tenzij uitsluitingsclausule

Ingevolge artikel 1:94 lid 1 BW, zoals dat luidde ten tijde van de ontbinding van het huwelijk (thans art. 1:94 lid 2 BW), geldt dat goederen die één van de echtgenoten krachtens erfrecht verkrijgt in de gemeenschap van goederen vallen. Middels een uitsluitingsclausule kan hier een uitzondering op worden gemaakt. Een uitsluitingsclausule is een uiterste wilsbeschikking van de erflater waarin is bepaald dat bepaalde goederen buiten de gemeenschap vallen (art. 1:94 lid 2 sub a BW). Een dergelijke clausule was in de onderhavige zaak niet gemaakt. Daarnaast is van belang dat het rechtsgevolg van art. 1:94 lid 2 BW niet intreedt indien het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat de geërfde onroerende zaken in de gemeenschap vallen. De vrouw beriep zich op deze uitzondering.

Rechtbank en hof

De rechtbank oordeelde dat de Italiaanse onroerende zaken niet in de Nederlandse huwelijksgoederengemeenschap vallen, omdat naar Italiaans recht de zaken niet tot de huwelijksgoederengemeenschap zouden behoren. Naar het oordeel van de rechtbank hoefde de erflaatster er daarom niet op bedacht te zijn om een uitsluitingsclausule op te nemen voor het geval dat een van haar erfgenamen in de toekomst in gemeenschap van goederen (naar Nederlands recht) zou trouwen.

Het hof kwam echter tot een ander oordeel. Volgens het hof is de omstandigheid dat de erfenis naar Italiaans recht niet in de gemeenschap zou vallen onvoldoende om te oordelen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat deze onroerende goederen in de gemeenschap vallen. De vrouw heeft de Italiaanse erfenis gekregen voordat zij met de man huwde. Zij had de onroerende zaken dan ook bij huwelijkse voorwaarden buiten de gemeenschap kunnen houden, aldus het hof.

HR: Italiaanse erfenis valt in Nederlandse huwelijksgoederengemeenschap

In cassatie klaagt de vrouw dat het hof art. 1:94 lid 1 (oud) BW (thans art. 1:94 lid 2 BW) zo had moeten uitleggen en toepassen dat de omstandigheid dat de erfenis naar Italiaans recht als privévermogen van de verkrijger wordt aangemerkt en dus buiten de naar Italiaans recht bestaande beperkte huwelijksgoederengemeenschap valt, als een (wettelijke) uitsluitingsclausule moet worden aangemerkt.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en overweegt daartoe het volgende:

“3.4 Tussen partijen is niet in geschil dat zij in algehele gemeenschap van goederen gehuwd waren. Terecht heeft het hof dan ook voor de bepaling van de omvang van die gemeenschap art. 1:94 lid 1 (oud) BW (thans art. 1:94 lid 2 BW) tot uitgangspunt genomen. Voorts heeft het hof terecht onderzocht of toepassing van die bepaling met betrekking tot de Italiaanse onroerende zaken naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, gelet op de omstandigheid dat op de erfrechtelijke verkrijging van die zaken door de vrouw Italiaans recht van toepassing is, dat op het punt van het huwelijksvermogensrecht anders luidt dan het Nederlandse recht. In dat verband is onder meer van belang of de buitenlandse erflater bedacht kon zijn geweest op de toepasselijkheid van Nederlands huwelijksvermogensrecht en de gevolgen daarvan en of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat hij niet heeft gewenst dat die zaken door huwelijk zouden komen te vallen in een gemeenschap van goederen waarin de verkrijger is gehuwd of gaat huwen. Voorts kan van belang zijn of de echtgenoot die voor het huwelijk krachtens erfrecht naar buitenlands recht goederen heeft verkregen, redelijkerwijs in staat is geweest om door het opmaken van huwelijkse voorwaarden te zorgen dat die goederen overeenkomstig de (veronderstelde) wil van de erflater niet door boedelmenging in een huwelijksgemeenschap vallen. Op de echtgenoot die zich op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid beroept, rust de stelplicht en bewijslast van de daartoe redengevende feiten en omstandigheden. De enkele omstandigheid dat het op de erfrechtelijke verkrijging toepasselijke buitenlandse recht niet een algehele gemeenschap van goederen als huwelijksvermogensregime kent of tot uitgangspunt neemt, volstaat in dat verband niet.”

Volgens de Hoge Raad geeft het oordeel van het hof aldus geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd. De Italiaanse erfenis valt in de Nederlandse huwelijksgoederengemeenschap.

Share This