HR 2 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2756

In een procedure betreffende overschrijding van de redelijke termijn voor berechting blijft de regel van art. 237 Rv, dat de in het ongelijk gestelde partij in de kosten wordt veroordeeld, van toepassing.

Eisers tot cassatie zijn naar aanleiding van een huurgeschil verwikkeld geweest in civiele procedures die circa acht tot negen jaar hebben geduurd. In de onderhavige procedure stellen zij de Staat aansprakelijk wegens overschrijding van de redelijke termijn voor berechting als bedoeld in art. 6 EVRM. Rechtbank en hof wezen de vordering af, met veroordeling van eisers in de proceskosten.

In cassatie klagen eisers dat hun door de proceskostenveroordeling een “effective remedy” in de zin van art. 13 EVRM is onthouden voor het maken van aanspraak op een vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn voor berechting. Daartoe beroepen zij zich op het arrest Severijnen/De Bilt (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:736, NJ 2014/525, CB 2014-64), waarin de Hoge Raad overwoog:

“3.16.3 Nu de partijen in de zaak waarin (beweerdelijk) de redelijke termijn is overschreden in de regel reeds griffierecht hebben betaald, kan van hen, op gelijke voet met de gevallen bedoeld in art. 4 leden 1 en 2 Wet griffierechten burgerlijke zaken, geen griffierecht worden geheven in de hiervoor in 3.15 bedoelde afzonderlijke procedure tegen de Staat, mede gelet op het feit dat het gaat om een aantasting van een door het EVRM beschermde aanspraak waartegen op grond van art. 13 EVRM een ‘effective remedy’ dient te bestaan. Voor het overige dient die procedure te verlopen volgens de in het algemeen geldende regels.”

In een procedure wegens overschrijding van de redelijke termijn is de eiser dus niet nogmaals griffierecht verschuldigd. Dit betekent echter niet dat, zoals het middel bepleit, de eiser ook gevrijwaard dient te blijven van een kostenveroordeling indien zijn vordering ongegrond blijkt:

“3.3.2 Uit rov. 3.16.3 van het hiervoor in 3.3.1 vermelde arrest van 28 maart 2014 blijkt dat de grond voor het niet heffen van griffierecht in de procedure betreffende overschrijding van de redelijke termijn is gelegen in de omstandigheid dat de partij die de vordering instelt, reeds griffierecht heeft betaald in de zaak waarin (beweerdelijk) de redelijke termijn is overschreden. Daarbij is een vergelijking gemaakt met de gevallen bedoeld in art. 4 leden 1 en 2 Wet griffierechten burgerlijke zaken. Vervolgens is overwogen: “Voor het overige dient die procedure te verlopen volgens de in het algemeen geldende regels.″ In deze overwegingen ligt besloten dat de regel van art. 237 Rv ook in een procedure als in die overweging bedoeld, van toepassing blijft. Daarbij verdient opmerking dat het risico van een proceskostenveroordeling bij de in Nederland voor dit soort zaken geldende tarieven geen onaanvaardbare drempel oplevert om op te komen tegen een (gestelde) schending van door het EVRM gewaarborgde rechten. Het middel faalt dan ook.”

Advocaat-generaal Keus concludeerde in gelijke zin en wees er daarbij op dat de in het ongelijk gestelde partij doorgaans niet kwalificeert als iemand wiens EVRM-rechten zijn aangetast, zodat er zo beschouwd ook geen “effective remedy” in de zin van art. 13 EVRM hoeft te bestaan (conclusie, sub 3.14). De conclusie bevat tevens beschouwingen over het gesloten stelsel van rechtsmiddelen (sub 3.4 e.v.), dit in verband met de stelling van eisers dat de termijnoverschrijding in de eerdere procedures was veroorzaakt door onjuiste oordelen, welke stelling volgens het hof afstuitte op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Dat oordeel laat de Hoge Raad met toepassing van art. 81 RO in stand (r.o. 3.2).

De proceskostenveroordelingen blijven dus gehandhaafd en worden nu vermeerderd met een proceskostenveroordeling in cassatie (€ 2.652,34 aan verschotten en € 2.200 voor salaris).

De Staat is in cassatie bijgestaan door Hans van Wijk en Gijsbrecht Nieuwland, en in feitelijke instanties door Bert-Jan Houtzagers en Roos Lawant.

Share This