Selecteer een pagina

HR 22 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:102

In deze beschikking op een vordering tot cassatie in het belang der wet aanvaardt de Hoge Raad de mogelijkheid van schorsing van een faillissementsgijzeling, voorziet hij in enkele processuele waarborgen en reikt hij de rechter het relevante toetsingskader aan.

Achtergrond

Een gefailleerde kan op de voet van art. 87 Fw door de rechtbank in verzekerde bewaring worden gesteld wegens, kort gezegd, niet-nakoming van wettelijke verplichtingen in verband met het faillissement of gegronde vrees daarvoor. Deze verzekerde inbewaringstelling wordt ook wel ‘faillissementsgijzeling’ genoemd. Zij is geldig voor niet langer dan 30 dagen, en kan daarna telkens voor ten hoogste 30 dagen worden verlengd.

In deze zaak beantwoordt de Hoge Raad verschillende vragen over de mogelijkheid van schorsing van de faillissementsgijzeling. Aanleiding is een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, die een reeds geschorste faillissementsgijzeling met 30 dagen heeft verlengd en deze vervolgens opnieuw heeft geschorst. De procureur-generaal heeft tegen deze beschikking een vordering tot cassatie in het belang der wet gericht.

Kan een inbewaringstelling worden geschorst?

De vraag die onmiddellijk rijst, is of een op de voet van art. 87 Fw bevolen inbewaringstelling kan worden geschorst. De Faillissementswet voorziet namelijk niet uitdrukkelijk in deze mogelijkheid. Toch wordt de inbewaringstelling in de praktijk met enige regelmaat geschorst onder het stellen van voorwaarden aan de gefailleerde, zoals een meldplicht of de verplichting een paspoort in te leveren.

De Hoge Raad voorziet deze oplossing van een stevig fundament. Hij stelt voorop dat de faillissementsgijzeling een vrijheidsbenemende maatregel is, die in overeenstemming moet zijn met het uit het EVRM voortvloeiende subsidiariteitsbeginsel (r.o. 3.2.2). Dit beginsel brengt mee dat de rechter steeds zal moeten onderzoeken of het beoogde doel van de faillissementsgijzeling door middel van schorsing van de inbewaringstelling kan worden bereikt (r.o. 3.3). De Hoge Raad reikt ook het toetsingskader aan: er bestaat alleen grond voor schorsing als is voldaan aan de vereisten van art. 87 Fw, en eventuele beperkingen van de vrijheid van verplaatsing van de gefailleerde moeten in overeenstemming zijn met het EVRM (r.o. 3.4).

Loopt de termijn van 30 dagen door?

Vervolgens rijst de vraag of gedurende de schorsing van de inbewaringstelling de termijn van 30 dagen van art. 87 lid 3 Fw doorloopt. De Hoge Raad beantwoordt deze vraag ontkennend. Dit betekent dat gedurende de schorsing van de inbewaringstelling geen plaats is voor een bevel tot verlenging van de inbewaringstelling en evenmin voor een hernieuwde schorsing daarvan (r.o. 3.5.1-3.5.3).

Deze keuze noopt de Hoge Raad tot het bieden van drie processuele waarborgen (r.o. 3.6.1). De eerste is dat tegen beslissingen van de rechtbank of het gerechtshof inzake de schorsing van de inbewaringstelling hoger beroep, respectievelijk beroep in cassatie kan worden ingesteld. De tweede is dat de rechter aan de schorsing een termijn moet verbinden waarbinnen wordt onderzocht of aanleiding bestaat de inbewaringstelling of de schorsing daarvan op te heffen, dan wel de voorwaarden op te heffen of aan te passen. De derde is dat de gefailleerde op ieder moment gedurende de schorsingsperiode de rechter kan verzoeken om de inbewaringstelling op te heffen, dan wel de voorwaarden van de schorsing op te heffen of aan te passen. Bij al deze procedures geldt het eerder door de Hoge Raad geformuleerde toetsingskader (r.o. 3.4).

Afdoening

De Hoge Raad vernietigt, in het belang der wet, de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 9 augustus 2019.

Share This