

Voldoende belang bij inhoudelijke beoordeling vordering ondanks dagvaarden verkeerde partij
HR 11 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX9762 (Unidek/HDI International Holding)
In deze procedure is abusievelijk de moedermaatschappij van een verzekeraar gedagvaard in plaats van de verzekeraar zelf. Gezien de uitlatingen van de moedermaatschappij dat zij een inhoudelijk oordeel over de vordering wenst en dat de dochtermaatschappij/ verzekeraar zich zal houden aan dat inhoudelijke oordeel, bestaat ondanks het dagvaarden van de verkeerde partij toch een voldoende belang bij inhoudelijke beoordeling van de vordering. De omstandigheid dat de moedermaatschappij tijdens de procedure door ontbinding en vereffening is opgehouden te bestaan, staat niet in de weg aan voortzetting van de procedure. Lees meer…

Proceskosten voor verweer tegen onteigeningstitel komen in beginsel voor vergoeding in aanmerking
HR 18 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY0547 (X/Staat)
(1) Art. 50 lid 1 Onteigeningswet (Ow) ziet op zowel de kosten van het verweer tegen de onteigeningstitel als op de kosten inzake de procedure over de schadeloosstelling. De dubbele redelijkheidstoets kan echter meebrengen dat buitensporige kosten voor het voeren van een bij voorbaat kansloos verweer tegen de vordering tot vervroegde onteigening, niet of in verminderde mate voor vergoeding in aanmerking komen. (2) Bij de verrekening van de rente over de schadeloosstelling met de inkomensschade moet worden uitgegaan van de rente die de onteigende in het betrekkelijk korte tijdvak tussen de onteigening en de verwerving van vervangende grond bij een solide bankinstelling zou kunnen bedingen. Lees meer…

Belanghebbende in rekestprocedure kan in proceskosten van andere belanghebbende worden veroordeeld
HR 18 januari 2013, ECLI:NL:HR:013:BY0572 (X/Y en Raad voor de Kinderbescherming)
De rechter kan in een verzoekschriftprocedure ten gunste van elke partij een proceskostenveroordeling uitspreken ten laste van een andere partij, als laatstbedoelde partij ten opzichte van eerstgenoemde partij in het ongelijk is gesteld. Dat geldt niet alleen tussen de (oorspronkelijk) verzoeker en belanghebbenden, maar ook tussen belanghebbenden onderling. Lees meer…

Termijnoverschrijding door afwachting Bibob-advies niet zonder meer onrechtmatig
HR 11 januari 2013, LJN BX7579 (Gemeente Amsterdam/X c.s.)
Bij de vraag of al dan niet zonder Bibob-advies kan worden beslist op een aanvraag voor een (prostitutie-)vergunning, komt de burgemeester beleidsvrijheid toe. Maatgevend is of de burgemeester, door het Bibob-advies af te wachten en daarom nog niet op de aanvraag te beslissen, in strijd met de jegens betrokkenen in acht te nemen zorgvuldigheid handelt. Lees meer…

Geen vermogensschade zonder achteruitgang en rechtens te respecteren belang bij herstel
HR 11 januari 2013, LJN BX9830
De rechter kan oordelen dat er geen vermogensschade is geleden, als een vergelijking van de oude met de nieuwe toestand aan het licht brengt dat de nieuwe toestand voor de partij die schadevergoeding verlangt geen achteruitgang inhoudt ten opzichte van de oude, en die partij er geen rechtens te respecteren belang bij heeft dat de oude toestand wordt hersteld. De schade dient in beginsel te worden begroot naar het moment waarop zij wordt geleden, maar gebeurtenissen van later datum kunnen meebrengen dat van de getroffene in redelijkheid kan worden verlangd dat hij zijn aanspraak beperkt. Lees meer…

Beperkingen aan overeenkomstige toepassing art. 6 EVRM
HR 11 januari 2013 LJN BX8359 en BX8360
De bestuursrechtelijke rechtspraak in geval van overschrijding van de redelijke termijn in procedures waarop art. 6 EVRM niet van toepassing is, zoekt aansluiting bij de rechtspraak van het EHRM over de uitleg van art. 6 EVRM. Een overeenkomstige toepassing van art. 6 EVRM gaat niet zo ver dat deze ook het geval omvat waarin alleen wordt geklaagd over de duur van de bezwaarprocedure zonder dat daarop een behandeling door een rechter is gevolgd; zij omvat evenmin het geval waarin alleen wordt geklaagd over de duur van de aanvraagfase, ook niet indien daarop een behandeling door de rechter is gevolgd. Lees meer…

Rechterlijke termijn voor verbeurte van dwangsom vangt direct aan, niet eerst na betekening
HR 21 december 2012, LJN BX9020 (X/Staat)
Heeft de rechter op grond van art. 611a lid 4 Rv bepaald dat een opgelegde dwangsom pas na verloop van een zekere termijn zal kunnen verbeuren, zonder dat daarbij een nadere respijttermijn is toegekend, dan moet deze rechterlijke termijn worden gekwalificeerd als een uitvoeringstermijn, na verloop waarvan de opgelegde dwangsom (direct) is gaan lopen, mits de uitspraak is betekend. Dit geldt ook voor bestuurlijke dwangsommen. Lees meer…

“Cashback”-systeem bij verkoop boeken via internet niet in strijd met Wet op de vaste boekenprijs
HR 21 december 2012, LJN BX9019 (Commissariaat voor de Media/SplinQ)
Een “cashback”-systeem waarin een beloning in de vorm van een tegoed wordt gegeven aan kopers die boeken kopen van verkopers die via de website van SplinQ adverteren, is niet in strijd met de Wet op de vaste boekenprijs. Lees meer…

Het verschil tussen proportionele aansprakelijkheid en kansschade
HR 21 december 2012, LJN BX7491 (Deloitte Belastingadviseurs/H&H Beheer)
In deze zaak gaat het om de vraag of en in welke mate een accountant schade heeft geleden als gevolg van een onjuist advies over de fiscale mogelijkheden van geruisloze inbreng van zijn uittredingsvergoeding in een onderneming. De Hoge Raad zet uitvoerig uiteen wat het verschil is tussen de leerstukken “proportionele aansprakelijkheid” en “kansschade”. In casu heeft het hof kennelijk toepassing gegeven aan het leerstuk van kansschade, door te oordelen dat voldoende aannemelijk is dat eiser bij een juist advies dat advies zou hebben opgevolgd en zich intensief zou hebben ingespannen om zich in een ander kantoor in te kopen. Lees meer…
Schending mededingingsrecht moet voldoende onderbouwd worden
HR 21 december 2012 LJN BX0345 (ANVR en ATP c.s./IATA-NL)
Een beroep op strijdigheid van een door een branchevereniging gehanteerde regeling met het Europese mededingingsrecht, moet voldoende onderbouwd worden met (economische) feiten en omstandigheden. Lees meer…