In 2011 is de gemiddelde doorlooptijd van de behandeling van cassatiezaken in alle drie sectoren (civiel, straf, belasting) afgenomen. In civiele dagvaardingszaken was de gemiddelde doorlooptijd 501 dagen (in 2010 nog 547 dagen); in rekestzaken – net als in 2010 – 319 dagen. In 55% van de behandelde zaken is het cassatieberoep volledig op de voet van art. 81 RO afgedaan en in 19% volgde vernietiging van de bestreden uitspraak. Dat blijkt uit het Jaarverslag 2011 dat de Hoge Raad heeft gepubliceerd.

Toegang tot de rechter

De president bij de Hoge Raad, Geert Corstens, toont zich in het jaarverslag opgelucht over het feit dat de kostendekkende griffierechten van de baan zijn:

“Eén ontwikkeling hing als een donkere wolk over de rechtspraak heen en dat was het voorstel de griffierechten te verhogen. Dat komt aan het fundament van de rechtsstaat, namelijk dat de burger makkelijk toegang tot de rechter heeft”.

Corstens vraagt verder aandacht voor het capaciteitsprobleem van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens en, in het verlengde daarvan, voor de verantwoordelijkheid die lidstaten hebben om de door het EHRM beschermde mensenrechten te respecteren en ook mede-lidstaten daartoe aan te sporen. Over de op handen zijnde wetswijzigingen omtrent de cassatierechtspraak merkt Corstens op dat zij de efficiency zullen vergroten.

“De tijd die dat oplevert, kunnen we besteden aan zaken die er wel toe doen.”

Goede rechtspraak vraagt rust en aandacht

Ook de procureur-generaal Jan Watse Fokkens blikt terug op de gebeurtenissen in 2011. Hij uit zijn zorgen over de hoge werkdruk onder rechters (“Goede rechtspraak vraagt rust en aandacht“), waarschuwt dat daardoor (op termijn) de kwaliteit van de rechtspraak onder druk komt te staan en vreest dat over een aantal jaren een parlementaire enquête over de Rechtspraak in het verschiet ligt.

Fokkens geeft verder een inkijkje in de verhouding tussen de Hoge Raad en het Parket als adviseur van de Hoge Raad en in het externe klachtrecht over rechters. Het externe klachtrecht ziet op klachten over gedragingen van rechters en dus niet over rechterlijke beslissingen. De P-G kan, nadat een klacht bij het gerecht zelf is behandeld, een vordering bij de Hoge Raad indienen tot het doen van onderzoek (art. 13a ev. Wet RO). Voor klachten over leden van de Hoge Raad of het Parket zijn per 1 juli 2011 klachtenregelingen van kracht (hier terug te vinden op Cassatieblog). In 2011 heeft de P-G overigens geen klachten ex art. 13a Wet RO aan de Hoge Raad voorgelegd.

Uitgelicht

In het jaarverslag zijn verder voor iedere sector vijf zaken uitgelicht die in het oog sprongen. Voor de sector Civiel waren dat de volgende uitspraken.

– HR 28 oktober 2011, LJN BQ5986, waarin de Hoge Raad oordeelde dat een deelnemer die (bij wijze van uitzondering) financieel voordeel had van deelname aan een piramidespel zijn positieve resultaten niet aan de faillissementsboedel hoeft af te staan (hier besproken op Cassatieblog).

– HR 11 november 2011, LJN BR5215 en LJN BR5223, waarin de Hoge Raad duidelijk maakte dat de verzekeringsplicht van de werkgever wegens goed werkgeverschap (art. 7:611 BW ) beperkt blijft tot bijzondere risico’s van verkeersdeelname (hier besproken op Cassatieblog).

– HR 29 april 2011, LJN BP4012, waarin de Hoge Raad zich uitliet over de schadeberekening bij effectenleasezaken en onder meer oordeelde dat de rechter – via de band van voordeelstoerekening – rekening mag houden met winsten die uit eerdere effectenleaseovereenkomsten werden behaald (hier besproken op Cassatieblog).

– HR 25 maart 2011, LJN BP8991, welke uitspraak voortbouwt op eerdere uitspraken over de klachtplicht van de koper. Het hof had in dit geval – na cassatie en verwijzing – geoordeeld dat de claim van de koper wel laat, maar niet te laat was ingediend. Het daartegen ingestelde cassatieberoep werd verworpen en de Hoge Raad gaf een nadere precisiering van de gezichtspunten die in aanmerking moeten worden genomen bij de beoordeling van de vraag wat in een concreet geval als ‘binnen bekwame tijd’ heeft te gelden. “Daarmee leverde deze op het oog eenvoudige zaak voor de tweede keer een bijdrage aan de rechtsontwikkeling“, aldus het jaarverslag.

– Ten slotte vestigt de Hoge Raad aandacht op HR 9 december 2011, LJN BU7412, waarin hij zich boog over het schriftelijkheidsvereiste bij (ver)koop woonhuis door een particulier (hier besproken op Cassatieblog). Deze uitspraak betreft een van de drie civiele zaken uit 2011 waarin  cassatie in het belang der wet was ingesteld en stelt buiten twijfel dat niet alleen de particuliere koper, maar ook de particuliere verkoper zich op het schriftelijkheidsvereiste kan beroepen om onder een mondeling “gesloten” koop uit te komen.

Tot vorig jaar werd tweejaarlijks gerapporteerd, met ingang van 2011 zal de Hoge Raad jaarlijks verslag doen van zijn werkzaamheden.

Share This