Beroep op Overbruggingsregeling transitievergoeding mogelijk na verstrijken vervaltermijn

Beroep op Overbruggingsregeling transitievergoeding mogelijk na verstrijken vervaltermijn

HR 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2305

De werkgever kan in een door de werknemer geëntameerde procedure waarin deze om toekenning van een transitievergoeding verzoekt, zich op de Overbruggingsregeling transitievergoeding beroepen, ook al is de vervaltermijn van drie maanden van art. 7:686a lid 4, aanhef en onder b BW verstreken. Dit geldt ongeacht of de werkgever zijn beroep op de overbruggingsregeling doet als een verweer tegen het verzoek van de werknemer of in de vorm van een zelfstandig verzoek op de voet van art. 282 lid 4 Rv. Lees meer…

Jeugdzorg: beantwoording prejudiciële vragen over bevoegdheden in geval van ondertoezichtstelling

Jeugdzorg: beantwoording prejudiciële vragen over bevoegdheden in geval van ondertoezichtstelling

HR 14 december 2018 ECLI:NL:HR:2018:2321

In deze uitspraak beantwoordt de Hoge Raad vragen van de rechtbank Den Haag over de uitleg en onderlinge verhouding van de art. 1:263, 1:264, 1:265f en 1:265g BW, die zijn opgenomen in Afdeling 4, Ondertoezichtstelling van minderjarigen. De bepalingen van deze afdeling zijn gewijzigd bij de per 1 januari 2015 in werking getreden Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen. In dat kader geeft de Hoge Raad – zakelijk weergegeven – de volgende antwoorden. Lees meer…

Schorsingsincident in cassatie bij faillissement procespartij

Schorsingsincident in cassatie bij faillissement procespartij

HR 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2220 (De Vijf Musketiers/curatoren)

Art. 27 Fw biedt de wederpartij van een failliet zonder meer het recht schorsing van de procedure te vorderen om de curator in het geding te roepen. Een afweging van belangen in verband met een eventuele zekerheidsstelling voor de proceskosten komt pas aan de orde indien de curator zou beslissen de procedure niet over te nemen en de andere partij om ontslag van instantie verzoekt. Lees meer…

Verzuimperikelen

Verzuimperikelen

HR 7 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2255

De Hoge Raad zet het kader uiteen voor (i) het aanbod tot zuivering van het schuldenaarsverzuim, (ii) de weigering van het aanbod door de schuldeiser en de mogelijke gevolgen daarvan met betrekking tot het schuldeisersverzuim en (iii) de mogelijkheid tot ontbinding van de schuldenaar resp. de schuldeiser tijdens het schuldeisersverzuim.

Lees meer…

Merkenrecht ten onrechte buiten beschouwing gelaten in beoordeling domeinnaamgeschil

Merkenrecht ten onrechte buiten beschouwing gelaten in beoordeling domeinnaamgeschil

HR 30 november 2018 ECLI:NL:HR:2018:2221

1. Tot uitgangspunt dient dat degene die zich als domeinnaamhouder heeft laten registeren, alleen gedwongen kan worden de domeinnaam aan een ander over te dragen als hij daartoe rechtens verplicht is. Die plicht kan berusten op een overeenkomst of hieruit voortvloeien dat registratie of gebruik van de domeinnaam jegens die ander onrechtmatig is, zoals wanneer daardoor inbreuk wordt gemaakt op een merkrecht van die ander (vergelijk: HR 11 december 2015, CB 2015-189 (Artiestenverloningen/Prae Artiestenverloning)).
2. Gelet op de stellingname van eisers heeft het hof ten onrechte geoordeeld dat eisers in de onderhavige zaak het merkenrecht bij de beoordeling van hun vorderingen buiten beschouwing gelaten wilden hebben. Lees meer…

Prejudiciële vraag: kan bank zich op stortingen na het peilmoment op de rekening-courant verhalen?

Prejudiciële vraag: kan bank zich op stortingen na het peilmoment op de rekening-courant verhalen?

HR 23 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2189 (Curatoren Eurocommerce/Rabobank)

In deze prejudiciële procedure staat de vraag centraal hoe een bank moet omgaan met stortingen op de rekening-courant in het zicht van faillissement van de rekeninghouder. De bank heeft (ook op grond van de algemene bankvoorwaarden) een openbaar pandrecht op al hetgeen de rekeninghouder van de bank te vorderen heeft. Binnen de rekening-courantverhouding wordt de bank door een betaling van een schuldenaar aan de rekeninghouder op zijn beurt schuldenaar van de rekeninghouder, maar kan de bank deze schuld verrekenen met wat hij van de rekeninghouder te vorderen heeft. De Hoge Raad beslist dat op deze verrekening art. 54 Fw van toepassing is, welk artikel onder omstandigheden aan verrekening in de weg staat. Als betalingen op de rekening binnenkomen na het peilmoment (het moment dat de bank niet meer te goeder trouw is in de zin van art. 54 Fw), mag de bank zich daarop niet verhalen, ook niet op grond van zijn pandrecht. Lees meer…

Kribbebijter en gerechtvaardigd vertrouwen. Een Basic Fit?

Kribbebijter en gerechtvaardigd vertrouwen. Een Basic Fit?

HR 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2217

Betrokkene is als bestuurder bevoegd de vennootschap te vertegenwoordigen. Daarom geeft het blijk van een onjuiste rechtsopvatting of is het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd, als het hof heeft geoordeeld dat betrokkene niet bevoegd was de vennootschap te vertegenwoordigen nu geen sprake was van aan de vennootschap toerekenbare schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid. Als het hof heeft geoordeeld dat betrokkene niet de vennootschap heeft vertegenwoordigd omdat geen schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid is gewekt, miskent dat de Kribbebijter-maatstaf. Lees meer…

Opzegtermijn bij opeenvolgende arbeidsovereenkomsten en opvolgend werkgeverschap

Opzegtermijn bij opeenvolgende arbeidsovereenkomsten en opvolgend werkgeverschap

HR 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2222

Bij elkaar binnen zes maanden opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd tussen een werknemer en werkgevers die worden geacht elkaars opvolger te zijn, moet de opzegtermijn worden berekend uitgaande van het tijdstip van totstandkoming van de eerste overeenkomst.
Is sprake van een arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd die anders is geëindigd dan door – kort gezegd – opzegging door de werkgever of de faillissementscurator dan wel ontbinding door de rechter en binnen zes maanden wordt opgevolgd door een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd bij een opvolgend werkgever, dan is sprake van samenloop tussen de Ragetlie-regeling van art. 7:667 lid 4 en 5 BW en de regeling van art. 7:668a lid 2 en 4 BW, geldt de laatste overeenkomst op grond van art. 7:668a lid 1 en 2 BW als aangegaan voor onbepaalde tijd, is voor de beëindiging van deze overeenkomst opzegging nodig en geldt dat de opzegtermijn wordt berekend vanaf het aangaan van de eerste overeenkomst (art. 7:667 lid 4 BW en art. 7:668a lid 4 BW).

Lees meer…

Toepasselijk recht op arbeidsovereenkomsten in de context van het internationaal wegvervoer

Toepasselijk recht op arbeidsovereenkomsten in de context van het internationaal wegvervoer

HR 23 november 2018 ECLI:NL:HR:2018:2165

(i) De rechter dient bij de vaststelling van het gewoonlijke werkland “met name” te onderzoeken in welk land zich de plaats bevindt van waaruit de werknemer zijn transportopdrachten verricht, instructies voor zijn opdrachten ontvangt en zijn werk organiseert, alsmede de plaats waar zich de arbeidsinstrumenten bevinden. Die opsomming is niet limitatief, want de rechter moet met alle elementen die de werkzaamheid van de werknemer kenmerken rekening houden.
(ii) Bij de vaststelling van de uitzondering, het land waarmee de arbeidsovereenkomst een kennelijk nauwere band heeft, komt belangrijke betekenis toe aan in welk land de werknemer belastingen en heffingen betaalt, waar hij is aangesloten bij sociale zekerheidsregelingen en aan criteria betreffende het salaris en andere arbeidsvoorwaarden. Bij dat oordeel geldt dat de rechter moet motiveren waarom uit het geheel der omstandigheden blijkt van een kennelijk nauwere band met dat andere land die rechtvaardigt dat een uitzondering wordt gemaakt op het uitgangspunt van toepasselijkheid van het recht van het gewoonlijke werkland. Lees meer…

Archief

Cassatieblog.nl