Selecteer een pagina

14 februari 2020 ECLI:NL:HR:2020:276

De hoogte van de pensioenaanspraak, opgebouwd in eigen beheer van een door één van de ex-echtgenoten beheerste rechtspersoon, dient te worden bepaald naar de waarde daarvan op datum echtscheiding. De commerciële waarde van die aanspraak – het bedrag dat nodig is om de pensioenaanspraak bij een externe pensioenverzekeraar te verzekeren – moet worden bepaald naar datum afstorting door die rechtspersoon.

Inzet van de onderhavige, huwelijksvermogensrechtelijke zaak betrof de pensioenverevening tussen de ex-echtgenoten en in het kader daarvan: de vordering van de vrouw tot afstorting van het kapitaal benodigd voor het onderbrengen bij een externe pensioenverzekeraar van haar deel van de pensioenaanspraak van partijen, opgebouwd in een door de man beheerste rechtspersoon.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient de rechtspersoon die een pensioentoezegging doet ervoor zorg te dragen dat die toezegging te zijner tijd kan worden nagekomen. Betreft het, zoals in dit geval, een in eigen beheer opgebouwde pensioenaanspraak, dan betekent dit dat de rechtspersoon ervoor moet zorgen dat met het oog op die nakoming over voldoende kapitaal kan worden beschikt. Nakoming van de pensioentoezegging in deze zin impliceert doorgaans dat de tot verevening verplichte echtgenoot die de rechtspersoon beheerst zorg draagt voor afstorting bij een externe pensioenverzekeraar van het kapitaal dat nodig is voor effectuering van het aan de andere echtgenoot toekomende deel van de pensioenaanspraak. Dit vloeit voort uit de eisen van redelijkheid en billijkheid die de verhouding tussen de ex-echtgenoten beheersen. Bij de berekening van dit kapitaal dient te worden uitgegaan van de commerciële waarde van de pensioenaanspraak, waarbij de heersende marktrente tot uitgangspunt wordt genomen.

Zie voor deze jurisprudentie onder meer: HR 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:693, besproken in  CB 2017-93; HR 20 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9458 en HR 9 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ2658. Deze jurisprudentie heeft de Hoge Raad nu verduidelijkt door te oordelen dat het af te storten kapitaal berekend dient te worden naar de commerciële waarde van de pensioenaanspraak op datum afstorting.

De Hoge Raad overweegt dat deze peildatum strookt met het uitgangspunt dat de rechtspersoon die een pensioentoezegging doet over voldoende kapitaal moet beschikken om die toezegging te zijner tijd te kunnen nakomen en het uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeiende recht op afstorting van het kapitaal dat nodig is voor het deel van de pensioenaanspraak dat toekomt aan de tot verevening gerechtigde echtgenoot.

Het hof had voor de berekening van de commerciële aanspraak aangesloten bij datum echtscheiding.  De Hoge Raad overweegt in dit verband dat weliswaar naar het tijdstip van echtscheiding moet worden bepaald wat de hoogte is van de pensioenaanspraak van de tot verevening gerechtigde echtgenoot, maar dat de commerciële waarde van die aanspraak – het bedrag dat nodig is om die pensioenaanspraak bij een externe pensioenverzekeraar te verzekeren – bepaald moet worden naar het tijdstip van afstorting door de rechtspersoon.

De Hoge Raad herhaalt verder nog de al in eerdere jurisprudentie aanvaarde uitzonderingen op de verplichting tot afstorting. Zie rov. 3.2 en 3.3 van de onderhavige uitspraak:

“3.2 Indien op het moment waarop de afstorting plaatsvindt, onvoldoende kapitaal aanwezig is in de rechtspersoon om én de commerciële waarde van het aandeel in de pensioenaanspraak van de tot verevening gerechtigde echtgenoot af te storten, én voldoende kapitaal in de rechtspersoon achter te laten om de commerciële waarde van het aandeel in de pensioenaanspraak van de tot verevening verplichte echtgenoot te dekken, zal het tekort in beginsel moeten worden gedeeld, evenredig met de verhouding waartoe de verevening overeenkomstig art. 3 lid 1 Wvps leidt [HR 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:693, rov. 3.4.5] De omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat de rechter tot een andere verdeling komt van het tekort tussen de ex-echtgenoten. Daarvoor is met name plaats indien het aan de vereveningsplichtige echtgenoot is toe te rekenen dat zodanig tekort is ontstaan of is opgelopen.

3.3 Het voorgaande laat onverlet dat de rechter, gelet op alle omstandigheden van het geval, kan beslissen dat geen aanspraak bestaat op (volledige) afstorting indien de tot verevening verplichte echtgenoot stelt en bij betwisting aannemelijk maakt dat de benodigde liquide middelen niet kunnen worden vrijgemaakt of van elders verkregen zonder de continuïteit van de bedrijfsvoering van de rechtspersoon en de daarmee verbonden onderneming in gevaar te brengen [HR 9 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ2658, rov. 4.5].”

Volgt vernietiging en verwijzing.

De man werd in cassatie bijgestaan door Mirella Peletier en in de feitelijke instanties door Annette Kroon-Jongbloed.

Share This