Selecteer een pagina

HR 26 juni 2015 ECLI:NL:HR:2015:1749

De in art. 15 lid 2, aanhef en onder a en b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (Rijkswet) omschreven bescherming tegen het verlies van het Nederlanderschap komt ook toe aan een meerderjarige Nederlander die vrijwillig de nationaliteit van een nieuwe soevereine staat verkrijgt en op het grondgebied van die staat is geboren voordat het een zelfstandige en soevereine staat werd, en ten tijde van zijn naturalisatie zijn hoofdverblijf in die nieuwe soevereine staat heeft.

Inleiding

De hoofdregel in de Rijkswet is dat het Nederlanderschap voor meerderjarigen verloren gaat door het vrijwillig verkrijgen van een andere nationaliteit (art. 15 lid 1). Op deze hoofdregel zijn enkele uitzonderingen geformuleerd, waarvan twee voor deze zaak van belang zijn. Het Nederlanderschap gaat in de eerste plaats niet verloren als de verkrijger van de “andere” nationaliteit in het land van die andere nationaliteit is geboren en daar ten tijde van de verkrijging hoofdverblijf heeft (art. 15 lid 2 onder a). Het Nederlanderschap gaat verder niet verloren als de verkrijger van de andere nationaliteit voordat hij meerderjarig werd onafgebroken tenminste vijf jaren in het land van die andere nationaliteit hoofdverblijf heeft gehad.

Art. 15A Rijkswet bepaalt verder dat het Nederlanderschap voor een meerderjarige verloren gaat als hij ingevolge de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen Nederland en Suriname (TOS) de Surinaamse nationaliteit verkrijgt.

Relevante feiten

De verweerder in deze cassatieprocedure was in 1952 in Suriname geboren, toen Suriname als district deel uitmaakte van het Koninkrijk der Nederlanden. Bij geboorte verkreeg hij de Nederlandse nationaliteit. Omdat betrokkene op 25 november 1975, de datum dat Suriname een soevereine staat werd en de TOS in werking trad, in Nederland woonde, behield hij in 1975 zijn Nederlandse nationaliteit. Op 15 maart 1983 opteerde hij op de voet van art. 5 lid 1 TOS voor de Surinaamse nationaliteit, waardoor hij op grond van diezelfde TOS zijn Nederlanderschap verloor. In 1987 verkreeg betrokkene door naturalisatie de Nederlandse nationaliteit, waardoor hij op grond van de Surinaamse nationaliteitswet de Surinaamse nationaliteit verloor. Nadien, in 2007, heeft betrokkene de Surinaamse nationaliteit aangevraagd, die hem in 2011 is verleend. Sinds 21 juni 2011 verbleef betrokkene in Nederland.

De procedure

Betrokkene heeft de rechtbank Den Haag verzocht vast te stellen dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit, omdat in zijn visie deze nationaliteit niet verloren was gegaan door de herkrijging van de Surinaamse nationaliteit in 2011. De rechtbank heeft dat verzoek toegewezen, met een motivering die erop neerkwam dat niet viel in te zien dat iemand die is geboren in het voormalig district Suriname wel de Nederlandse nationaliteit zou verliezen en iemand die in België is geboren niet. De Staat is tegen deze beschikking in cassatie opgekomen met een klacht inhoudende dat het oordeel van de rechtbank getuigde van een onjuiste rechtsopvatting over art. 15 lid 2 van de Rijkswet. De Hoge Raad verwerpt dit cassatieberoep.

Het oordeel van de Hoge Raad

De motivering van de Hoge Raad komt erop neer dat met “het land van die andere nationaliteit” in art. 15 lid 2 van de Rijkswet weliswaar slechts kan zijn gedoeld op de (nationaliteit van) een andere soevereine staat, maar dat dit verwijst naar lid 1 en daarmee dus is bedoeld: het land (de soevereine staat) zoals bestaand ten tijde van de naturalisatie waardoor de Nederlander de andere nationaliteit verkrijgt. Volgens de Hoge Raad biedt tekst noch strekking van art. 15 lid 2 van de Rijkswet, noch de parlementaire geschiedenis daarvan, aanknopingspunten om deze bepaling buiten toepassing te laten in gevallen waarin de staat waarvan de meerderjarige Nederlander de nationaliteit vrijwillig verkrijgt, ten tijde van diens geboorte aldaar dan wel ten tijde van diens verblijf aldaar als minderjarige, nog niet als zelfstandige en soevereine staat bestond maar deel uitmaakte van een andere soevereine staat.

De Hoge Raad oordeelt, meer algemeen, dat de in art. 15 lid 2, aanhef en onder a en b, van de Rijkswet omschreven bescherming tegen het verlies van het Nederlanderschap ook toekomt aan een meerderjarige Nederlander die vrijwillig de nationaliteit van een nieuwe soevereine staat verkrijgt en

– op het grondgebied van die staat is geboren voordat het een zelfstandige en soevereine staat werd, en ten tijde van zijn naturalisatie zijn hoofdverblijf in die nieuwe soevereine staat heeft (het geval bedoeld in art. 15 lid 2, aanhef en onder a, RWN), dan wel

– als minderjarige gedurende een onafgebroken periode van tenminste vijf jaren zijn hoofdverblijf heeft gehad op het grondgebied van die staat voordat het een zelfstandige en soevereine staat werd (het geval bedoeld in art. 15 lid 2, aanhef en onder b, RWN).

Ten slotte overweegt de Hoge Raad nog dat de TOS in dit geval niet tot een andere uitleg dwingt:

Blijkens de preambule voorziet de TOS erin dat “in verband met het onafhankelijk worden van Suriname een nationaliteitenregeling wordt getroffen”. De TOS staat dan ook niet in de weg aan de toepassing van art. 15 lid 2 RWN op personen wier nationaliteit eerder ingevolge de TOS is bepaald. Ook art. 15A, aanhef en onder b, RWN, waarin is bepaald dat het Nederlanderschap verloren gaat voor een meerderjarige die ingevolge de TOS de Surinaamse nationaliteit verkrijgt, laat onverlet dat art. 15 lid 2 RWN (indien aan de voorwaarden daarvan is voldaan) het verlies van het Nederlanderschap belet indien een meerderjarige vrijwillig de Surinaamse nationaliteit verkrijgt anders dan ingevolge de TOS, zoals het geval was bij de verkrijging van de Surinaamse nationaliteit door [verweerder] op 5 april 2011.

De Staat is in cassatie bijgestaan door de auteur.

Share This