HR 23 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2986 (Eiser/Waterland c.s.)

Een getuigenverhoor kan om proceseconomische redenen ook met gebruikmaking van een eerder door de getuige ondertekende schriftelijke verklaring worden verricht. De rechter moet bij de bewijswaardering zich dan wel afvragen in hoeverre het bestaan en de manier van totstandkomen van die schriftelijke verklaring afbreuk doen aan de betrouwbaarheid van het getuigenbewijs.

Eiser tot cassatie heeft als bestuurder en managing director werkzaamheden verricht voor investeringsmaatschappij Waterland c.s. Als onderdeel van zijn beloning kreeg hij aandelen, die onder bepaalde voorwaarden verkocht zouden moeten worden als hij al dan niet als ‘bad leaver’ zijn bestuurderschap zou eindigen. Eiser is in 2007 ontslagen. Onderhavig geschil gaat over de overdracht van deze aandelen.

Het hof heeft Waterland c.s. toegelaten om bewijs te leveren van hun stelling dat eiser is gemaand de zaken anders en beter aan te pakken, maar dat hij niet bereid was met de wensen en aansporingen van de andere (indirect) bestuurders rekening te houden. Hiervoor heeft een getuigenverhoor plaatsgevonden, waarna het hof het bewijs geleverd achtte en bij eindarrest heeft vastgesteld dat eiser als ‘bad leaver’ moet worden aangemerkt.

In cassatie wordt geklaagd dat de verhoren door de wijze waarop ze zijn verricht niet kunnen worden gewaardeerd als getuigenverklaringen en dat het hof niet had mogen beslissen ze op deze wijze te laten plaatsvinden. Wat is er bij de getuigenverhoren gebeurd?

Vanwege de lange duur van het verhoor van de eerste getuige en het ‘extreme te verwachten tijdsbestek’ als de wijze van verhoor niet zou worden aangepast, is ‘met instemming van partijen en advocaten’ besloten om elke getuige voorafgaand aan het verhoor een schriftelijke verklaring te laten opstellen en ondertekenen. Deze zijn vooraf opgestuurd naar de advocaat van de wederpartij en de raadsheercommissaris. Ter zitting van het verhoor las de getuige zijn verklaring per nummer door, waarna hij dit onderdeel onder ede moest bevestigen en gelegenheid bestond om naar aanleiding daarvan vragen te stellen of opmerkingen te maken.

Het hof was “zich ervan bewust dat de geschetste gang van zaken niet volledig dezelfde waarborgen biedt als wanneer de getuige ‘spontaan’ waren gehoord en een verklaring hadden afgelegd”, en overwoog daarmee rekening te houden bij de beoordeling van de bewijskracht van die verklaringen. Vier van de zes gehoorde getuigen waren partijgetuigen, dus kwam volgens het hof veel waarde toe aan “de kracht van de overige bewijzen”.

De Hoge Raad overweegt in het algemeen als volgt. De waardering van de bewijskracht van een schriftelijke verklaring is aan het oordeel van de rechter overgelaten (art. 152 lid 2 Rv). Bij die bewijswaardering zal de rechter zich moeten afvragen in hoeverre aan de betrouwbaarheid van die verklaring afbreuk doet dat de persoon niet onder ede door hemzelf is gehoord (vgl. HR 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8422). Art. 163 Rv belet niet dat de rechter een persoon als getuige hoort van wie een schriftelijke verklaring in het geding is gebracht (vgl. HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7817), ook niet als die schriftelijke verklaring niet in tegenwoordigheid van partijen tot stand is gekomen en bij het getuigenverhoor gebruik wordt gemaakt van die verklaring. Het hof mocht het verhoor dus, gelet op de genoemde omstandigheden, op deze manier vormgeven.

Over de bewijswaardering van een getuigenverklaring waarbij een schriftelijke verklaring is gebruikt, overweegt de Hoge Raad nog het volgende:

“3.4.3. Bij de bewijswaardering van een getuigenverklaring die is afgelegd met gebruikmaking van een eerder door dezelfde persoon afgelegde schriftelijke verklaring die niet in tegenwoordigheid van partijen tot stand is gekomen, zal de rechter zich dienen af te vragen in hoeverre aan de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring afbreuk wordt gedaan door het bestaan en de wijze van totstandkoming van die schriftelijke verklaring. Dat is niet anders doordat de rechter de getuige zelf heeft kunnen horen in een verhoor waarbij partijen aanwezig of vertegenwoordigd konden zijn, en doordat de getuigenverklaring onder ede is afgelegd.”

Omdat het hof uitdrukkelijk heeft overwogen dat het de gang van zaken rond het getuigenverhoor in de bewijswaardering betrekt, dat de getuigen met hun schriftelijke verklaring zijn geconfronteerd, en partijen de mogelijkheid hadden vragen te stellen en opmerkingen te maken, laat de Hoge Raad het bewijsoordeel van het hof in stand.

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Share This