HR 2 november 2012, LJN BX5578

1. Ook na een niet-ontvankelijkverklaring wegens niet(-tijdige) betaling van griffierecht blijft het griffierecht verschuldigd.
2. Een persoon die in privé failliet is verklaard, is geen griffierecht verschuldigd voor het opkomen tegen een beslissing van de rechter-commissaris.
3. Een verzetschrift inzake griffierecht hoeft niet door een advocaat te worden ingediend.

Art. 28 Wet griffierechten burgerlijke zaken bepaalt dat de advocaat medeverantwoordelijk is voor de voldoening van het griffierecht, naast de partij die hij vertegenwoordigt. En zo werd bij een voormalig cassatieadvocaat, een week nadat hij was doorgehaald op het tableau, een dwangbevel betekend om 32 openstaande nota’s voor griffierecht te voldoen.

De voormalig cassatieadvocaat diende een verzetschrift in, en dit leidde direct tot een ontvankelijkheidsvraag: had het verzetschrift niet moeten worden ingediend door iemand die nog wel advocaat was? Nee, oordeelt de Hoge Raad, daarmee terugkomend van eerdere rechtspraak:

“Op het verzet als bedoeld in art. 22, 24 en 25 Wtbz en art. 29 en 30 Wgbz zijn, gelet op de aard van die procedure, de bepalingen van de verzoekschriftprocedure van titel 3 van Boek 1 Rv niet van toepassing. Het verzet betreft immers een snelle en eenvoudige rechtsgang, waarin het enkel gaat om de vaststelling en invordering van het verschuldigde griffierecht. In zoverre wordt teruggekomen van hetgeen is beslist in HR 18 maart 2005, LJN AR8211, NJ 2006/431. Dit brengt mee dat voor het verzoekschrift waarbij op de voet van de hiervoor genoemde bepalingen verzet wordt ingesteld, niet het vereiste geldt dat het door een advocaat wordt ingediend.”

Slechts bij twee nota’s acht de Hoge Raad echter het verzet gegrond. In beide gevallen gaat het om een schuldenaar in een insolventiesituatie. De ene had betrekking op een cassatieberoep tegen een afwijzing van de schuldsaneringsregeling. Daarvoor is geen griffierecht verschuldigd, oordeelde de Hoge Raad al eerder (zie hier op Cassatieblog) en dat gold ook al onder de oude griffierechtenwet Wtbz, bevestigt de Hoge Raad nu (r.o. 3.4). In de andere zaak bouwt de Hoge Raad voort op zijn eerdere beslissing (zie hier op Cassatieblog) dat in het geval waarin de schuldenaar in hoger beroep of cassatie opkomt tegen een beslissing van de rechter waarbij op verzoek van een schuldeiser de schuldsaneringsregeling is beëindigd (art. 350 F), de schuldenaar geen griffierecht is verschuldigd. Dat trekt de Hoge Raad nu door naar personen die in privé failliet zijn verklaard en die opkomen tegen een beslissing van de rechter-commissaris (r.o. 3.5).

Maar het meest in het oog springende oordeel van de Hoge Raad, waar meerdere klachten van de opposant op stranden, is het volgende (r.o. 3.3):

“Voor zover het bezwaar van opposant met betrekking tot genoemde nota daarop ziet dat zijn cliënt in de desbetreffende zaak niet-ontvankelijk is verklaard in zijn cassatieberoep wegens de niet-tijdige betaling van het griffierecht, geldt dat een niet-ontvankelijkverklaring op deze grond niet meebrengt dat een eiser of verzoeker tot cassatie het op grond van de wet verschuldigde griffierecht niet behoeft te voldoen. Het griffierecht is immers op grond van art. 2 lid 1 Wtbz en art. 3 leden 1 en 2 Wgbz verschuldigd vanaf de eerste roldatum of vanaf de eerste zitting dan wel met de indiening van een verzoekschrift. De niet-ontvankelijkheid van de vordering of het verzoek brengt geen verandering in die verschuldigdheid, ook niet indien deze berust op de te late betaling van het griffierecht.”

Met andere woorden: als niet (tijdig) wordt betaald, wordt de zaak of het appel/cassatieberoep niet alleen niet in behandeling genomen, maar moet bovendien alsnog het griffierecht worden betaald. Dat heeft wel wat geks, want griffierecht is nu juist bedoeld als een bijdrage in de kosten van de behandeling van zaken. De rechtvaardiging voor het alsnog moeten betalen van het griffierecht als de zaak niet in behandeling wordt genomen, lijkt dan ook niet direct evident. De wetgever heeft in de Wgbz echter niet voorzien in het vervallen van de verplichting griffierecht te betalen in deze gevallen. De niet-ontvankelijkheid is ingevoerd als sanctie op niet-betaling van griffierecht, opdat de griffies van gerechten met minder incassobeslommeringen zouden worden opgezadeld. De gedachte achter de sanctie is dat partijen eerder geneigd zullen zijn om (tijdig) te betalen als de behandeling van hun zaak ervan afhangt. Betalen zij niet (tijdig), dan doet dat niets af aan de betalingsverplichting. De – evenzeer denkbare – omgekeerde koppeling tussen de behandeling van een zaak en de betaling van griffierecht, dus in die zin dat niet alleen de betaling een voorwaarde is voor de behandeling, maar de behandeling ook een voorwaarde is voor de verschuldigdheid, heeft de wetgever niet gemaakt.

De voormalig cassatieadvocaat blijft uiteindelijk zitten met een rekening van bijna € 28.000, waarvan het maar de vraag zal zijn of hij dit geld bij zijn cliënten zal kunnen terughalen. De uitspraak onderstreept dat advocaten er verstandig aan doen duidelijke afspraken met hun cliënten te maken (en hen duidelijk voor te lichten) over de betaling van het griffierecht.

Share This