Selecteer een pagina

HR 10 februari 2012, LJN BU5603BU7255, BU7353, BU7359,  BU9900 en BV3556

Als de rechter constateert dat het door een procespartij verschuldigde griffierecht niet tijdig is voldaan, behoort hij niet zonder meer toepassing te geven aan de wettelijke sanctie daarop, maar eerst aan die procespartij gelegenheid te geven om zich uit te laten met betrekking tot het geconstateerde verzuim, zodat die partij een eventueel misverstand kan ophelderen of, als zij daarvoor aanleiding ziet, een beroep kan doen op de hardheidsclausule.Maar liefst zeven uitspraken over griffierecht heeft de Hoge Raad op 10 februari 2012 gewezen. Eén had betrekking op de hoogte van het griffierecht in onteigeningscassaties, en wordt hier besproken door Ruben Wiegerink. De andere zes gingen over het al dan niet toepassen van de hardheidsclausule.

Hoorplicht voordat sanctie wordt toegepast

Nieuw is de beslissing van de Hoge Raad (LJN BU7255) dat de sanctie van ontslag van instantie of niet-ontvankelijkheid wegens niet-tijdige betaling niet mag worden toegepast zonder de betrokken partij te horen. Daarmee voorziet de Hoge Raad in een leemte in de wet, die niets inhoudt over hoe de rechter er achter kan komen of die sanctie wellicht tot “onbillijkheden van overwegende aard” zou leiden. In zijn conclusie voor HR 4 november 2011, LJN BQ4182 (hier besproken op Cassatieblog), bepleitte A-G Huydecoper al dat de rechter die vaststelt dat niet tijdig is betaald, ambtshalve de desbetreffende partij in de gelegenheid moet stellen zich erover uit te laten of inderdaad te laat is betaald, en zo ja, of er gronden zijn om toch de hardheidsclausule toe te passen. De Hoge Raad heeft sindsdien die werkwijze gevolgd. In deze zaak had het hof Amsterdam echter een appellant terstond ontslag van instantie verleend zonder hem te horen. Die kwam daartegen op in cassatie.

Nu staat er tegen de sanctie van art. 282a lid 2 jo. 362 Rv geen rechtsmiddel open (art. 282a lid 5 Rv), maar volgens vaste rechtspraak wordt een rechtsmiddelenverbod doorbroken als geklaagd wordt dat de rechter de desbetreffende regel ten onrechte niet heeft toegepast, buiten het toepassingsgebied van de desbetreffende regel is getreden of bij het nemen van zijn beslissing zodanig essentiële vormen niet in acht heeft genomen dat niet meer kan worden gesproken van eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak. Dat laatste deed zich hier voor. Het cassatieverzoek was dus ontvankelijk, en de Hoge Raad bevindt de klacht ook gegrond:

“Indien de rechter constateert dat het door een procespartij verschuldigde griffierecht niet tijdig is voldaan, behoort hij niet zonder meer toepassing te geven aan de sancties van de leden 3 of 4 [bedoeld zal zijn: de leden 2 of 3 – SK] van art. 282a, maar eerst aan die procespartij gelegenheid te geven om zich uit te laten met betrekking tot het geconstateerde verzuim, zodat die partij een eventueel misverstand kan ophelderen of, als zij daarvoor aanleiding ziet, een beroep kan doen op de hardheidsclausule van art. 282a lid 4. Het hof heeft [de man] die gelegenheid kennelijk niet gegeven.”

De zaak is verwezen naar het Hof Den Haag, waar de appellant zich alsnog zal mogen uitlaten over de (al dan) niet-tijdige betaling en de redenen daarvoor.

Hardheidsclausule bij ontbrekende en onjuiste nota’s

De andere vijf uitspraken lagen geheel in de lijn van eerdere rechtspraak.

In LJN BU5603 was het griffierecht in een cassatieprocedure niet betaald. De dvocaat voerde aan dat hij ook nooit een nota of betalingsherinnering had ontvangen. Dat baat hem niet. De Hoge Raad stelt voorop dat:

“in cassatie partijen in alle gevallen worden vertegenwoordigd door een advocaat en dat deze op grond van zijn deskundigheid en kennis ten aanzien van de procedure in cassatie zonder meer geacht moet worden op de hoogte te zijn van de hier aan de orde zijnde termijn en van de verstrekkende gevolgen die de wet verbindt aan overschrijding daarvan.”

Dat de advocaat niet tijdig een nota griffierecht en evenmin een herinnering of een aanmaning heeft ontvangen brengt daarom niet zonder meer mee dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Dat had de Hoge Raad ook al overwogen in zijn uitspraak van 4 november 2011. Anders dan toen, was in deze zaak echter geen bijzondere reden die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigde. Eiser tot cassatie is daarom niet-ontvankelijk verklaard. Een vergelijkbare beslissing gaf de Hoge Raad in LJN BU7353.

Drie uitspraken – LJN BU7359, BU9900 en BV3556 – vallen in de categorie “verwarring wekkende informatie van de zijde van de gerechtelijke administratie”. De advocaat had nu wel een nota ontvangen, maar daarin was vermeld dat betaling moest plaatsvinden binnen 28 dagen na dagtekening van de nota. Dat is uiteraard onjuist: de betalingstermijn begint te lopen op de dag na de eerstdienende dag. “Zulks behoort niet ten laste van de rechtzoekende te komen“, vond de Hoge Raad al al eerder – ondanks de hierboven genoemde verantwoordelijk van de advocaat – en dat vond de Hoge Raad ook nu.

Share This