Alle berichten met de tag: BW art. 3:61 lid 2


HR 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1356

Het risicobeginsel bij onbevoegde vertegenwoordiging gaat niet zo ver dat het vertrouwen op de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid uitsluitend op verklaringen of gedragingen van een onbevoegde vertegenwoordiger kan worden gebaseerd. Hetzelfde geldt ten aanzien van verklaringen en gedragingen die slechts kunnen worden toegerekend aan een bij het opstellen van een akte betrokken notaris. (meer…)

HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:142 en ECLI:NL:HR:2017:143 [1]

Het risicobeginsel bij onbevoegde vertegenwoordiging gaat niet zo ver dat het vertrouwen op de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid uitsluitend op verklaringen of gedragingen van de onbevoegde vertegenwoordiger kan worden gebaseerd. Dit geldt ook bij vertegenwoordiging door een advocaat. (meer…)

HR 23 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:112 (Bera/ING)

Uit ’s hofs weergave van de door partijen gemaakte procesafspraak volgt niet dat partijen hebben afgesproken dat bij uitblijven van de proceshandeling binnen de afgesproken termijn, de instantie vervallen zou worden verklaard zonder dat daartoe de procedure van art. 251 Rv behoefde te worden gevolgd. Daarom kan in het midden blijven of de regeling van art. 251 Rv terzijde kan worden gesteld. (meer…)