HR 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1133

In gevallen waarvoor de 50%- of 100%-regel geldt, subrogeert de verzekeraar van de benadeelde, voor zover het gaat om de billijkheidscorrectie, (i) niet in diens rechten wat betreft de 50%- of 100%-regel en (ii) niet integraal wat betreft de ‘gewone’ billijkheidscorrectie, namelijk niet wat betreft de uitkomst van de weging van de relevante omstandigheden. Dat is niet anders wanneer de verzekeraar van de aansprakelijke persoon een vaststellingsovereenkomst met de benadeelde heeft gesloten. 

Achtergrond

Op 10 april 2019 heeft een aanrijding plaatsgevonden tussen een bestelauto en een fietsster. De fietsster (hierna: de benadeelde) heeft aan deze aanrijding ernstig letsel overgehouden. De zorgverzekeraar van de benadeelde en eiser tot cassatie, Menzis, heeft de schade bestaande uit medische kosten vergoed en is op grond van art. 7:962 BW gesubrogeerd in de rechten van benadeelde. De bestelbus was verzekerd voor wettelijke aansprakelijkheid bij Achmea. Tussen Menzis, de bestuurder van de bestelbus (hierna: de bestuurder) en Achmea staat vast dat geen sprake was van overmacht zijdens de bestuurder en dat de aanrijding voor 75% het gevolg is van het verkeersgedrag van de benadeelde. Verder is Achmea reeds met de benadeelde minnelijk overeengekomen dat Achmea 75% van haar schade zal vergoeden.

Menzis vordert verklaringen voor recht strekkende tot vaststelling dat Menzis uit hoofde van subrogatie aanspraak kan maken op 75% van de door haar aan de benadeelde te vergoeden kosten.

De rechtbank en het hof hebben voor recht verklaard dat de bestuurder voor 50% aansprakelijk is voor de door Menzis als gevolg van het ongeval geleden schade.

Juridisch kader

Art. 185 lid 1 WVW 1994 bepaalt dat indien een motorrijtuig waarmee op de weg wordt gereden, betrokken is bij een verkeersongeval waardoor schade wordt toegebracht aan, niet door dat motorrijtuig vervoerde, personen of zaken, de eigenaar van het motorrijtuig of – indien er een houder van het motorrijtuig is – de houder verplicht is om die schade te vergoeden. Een dergelijke verplichting bestaat niet indien het ongeval is te wijten aan overmacht, daaronder begrepen het geval dat het ongeval is veroorzaakt door iemand, voor wie onderscheidenlijk de eigenaar of de houder niet aansprakelijk is.

Art. 7:962 lid 1 bepaalt dat indien de verzekerde terzake van door hem geleden schade anders dan uit verzekering vorderingen tot schadevergoeding op derden heeft, die vorderingen bij wijze van subrogatie op de verzekeraar overgaan voor zover deze, al dan niet verplicht, die schade vergoedt.

Art. 6:101 lid 1 BW bepaalt dat wanneer schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, de vergoedingsplicht wordt verminderd. Hierbij is de verdeling afhankelijk van de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Een andere verdeling kan plaatsvinden of de vergoedingsplicht kan geheel vervallen indien de billijkheid dit eist wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval.

Voornoemde billijkheidscorrectie brengt bij eigen schuld van de benadeelde onder andere het volgende mee. Behoudens opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid van de benadeelde, geldt dat, bij een aanrijding van een fietser of voetganger ouder dan veertien jaar met een motorrijtuig waarvoor de eigenaar of houder van dat motorrijtuig aansprakelijk is, tenminste 50% van de schade van de benadeelde voor rekening van de eigenaar of de houder van het motorrijtuig komt. Dit wordt wel de 50%-regel genoemd. Vgl. onder meer HR 28 februari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0526, rov. 3.7 en HR 24 december 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1196, rov. 3.4.4.

Het geding in cassatie

In cassatie klaagt Menzis ten eerste dat indien een verkeersslachtoffer jegens de aansprakelijke gemotoriseerde verkeersdeelnemer aanspraak heeft op een vergoeding van meer dan 50%, de 50%-regel in deze verhouding geen rol speelt. Daarom heeft in dat geval een verzekeraar die uit hoofde van subrogatie regres neemt, recht op hetzelfde schadevergoedingspercentage als de benadeelde, aldus de klacht. Menzis klaagt verder onder meer dat een tussen de verzekeraar van een gemotoriseerde verkeersdeelnemer en de benadeelde gesloten vaststellingsovereenkomst ook de partij bindt die subrogeert in de vordering van de benadeelde, behoudens voor zover bij de vastgestelde vergoeding de 50%- of 100%-regel een rol heeft gespeeld.

De Hoge Raad overweegt dat de 50%-regel niet geldt voor (regres)vorderingen van verzekeraars. Bij dergelijke voreringen moet een beroep op eigen schuld van de fietser of voetganger op de gebruikelijke wijze worden getoetst aan de maatstaven van art. 6:101 lid 1 BW. Omdat de positie van het kwetsbare verkeersslachtoffer dusdanig verschilt van die van de verzekeraar, geldt dat een zelfstandige afweging moet worden gemaakt, welke in de regel slechts tot een beperkte bijstelling van het resultaat van de causaliteitsafweging zal leiden. Voor zover het gaat om de billijkheidscorrectie, subrogeert de verzekeraar van de benadeelde dus niet (i) in diens rechten wat betreft de 50%-regel en evenmin (ii) in diens rechten wat betreft de uitkomst van de weging van de relevante omstandigheden die ten grondslag ligt aan de ‘gewone’ billijkheidscorrectie. Dat is volgens de Hoge Raad niet anders wanneer de verzekeraar van de aansprakelijke persoon een vaststellingsovereenkomst met de benadeelde heeft gesloten.

In deze zaak ligt het schadevergoedingspercentage (75%) hoger dan de causale bijdrage van het motorrijtuig (25%). Dit verschil kan geheel het gevolg zijn van toepassing van de ‘gewone’ billijkheidscorrectie, maar kan ook het gevolg zijn van toepassing van de 50%-regel. Voor de positie van de verzekeraar van de benadeelde maakt dit echter geen verschil, nu ook wat betreft de ‘gewone’ billijkheidscorrectie de verzekeraar wat betreft de uitkomst van de weging van de relevante omstandigheden dus niet subrogeert in de rechten van de benadeelde. Dit betekent dat de klachten ongegrond zijn, aldus de Hoge Raad.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep, conform de conclusie van A-G Hartlief.

Share This

Cassatieblog.nl