Hoge Raad 5 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:847
De partij die beweert dat een inbreuk is gemaakt op art. 102 VWEU, draagt de bewijslast van die inbreuk. In beginsel kan deze partij niet volstaan met een algemene aanduiding van mededingingsrechtelijke verboden, gepaard met de stelling dat deze verboden in het desbetreffende geval zijn geschonden. De Hoge Raad ziet geen aanleiding om hierover prejudiciële vragen te stellen.
Achtergrond
Tussen HP en Digital Revolution (bekend onder de handelsnaam ‘123inkt.nl’) bestaat een geschil over HP’s Dynamic Security technologie in HP haar printer.
HP is een fabrikant van printers en printbenodigdheden. Zij brengt HP-printers en HP-cartridges op de markt. HP-printers zijn voorzien van software die de printer aanstuurt. Daarnaast zijn de HP-printers en de HP-cartridges voorzien van beveiligde chips. De chip op de cartridge stuurt een geheime (digitale) code aan de chip in de printer. Met de juiste code zal de cartridge werken op de printer, met de foute code niet. HP wijzigt deze geheime code periodiek in haar printers met Dynamic Security. Zij doet dit naar eigen zeggen om de printers te beschermen tegen illegale cartridges. Ook is op de website van HP het volgende te lezen:
‘HP-printers and original HP cartridges deliver the best quality, security and reliability’.
Digital Revolution verkoopt onder haar handelsnaam ‘123inkt.nl’ onder meer huismerkcartridges die kunnen worden gebruikt in HP-printers. Digital Revolution doet dit legaal door haar huismerkcartridges te voorzien van een chip die niet van HP afkomstig is maar wel met een HP-printer kan communiceren. De Dynamic Security van HP (het periodiek wijzigen van de geheime code) heeft echter tot gevolg dat legale huismerkcartridges van Digital Revolution, niet meer door de HP-printer worden geaccepteerd.
Geschil
Volgens Digital Revolution is deze praktijk aan te merken als misbruik van machtspositie en daarom als strijdig met het mededingingsrecht (art. 102 VWEU/art. 24 Mw). Zij vordert in deze procedure onder meer (i) een verbod op het gebruik van Dynamic Security en (ii) een verbod op de misleidende claim op de website van HP (zie hierboven geciteerd). Op haar beurt beschuldigt HP Digital Revolution ook van misleidende en oneerlijke handelspraktijken en vordert zij verschillende geboden en verboden.
Het hof heeft de vorderingen van HP toegewezen en de vorderingen van Digital Revolution afgewezen, behalve het gevorderde verbod op de misleidende claim op de website van HP. Het hof oordeelt onder meer dat Digital Revolution niet heeft voldaan aan de eisen omtrent de precisie en feitelijke onderbouwing van haar stellingen.
Digital Revolution heeft cassatieberoep ingesteld en HP heeft (deels) voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. Het principaal beroep van Digital Revolution richt zich vooral op het mededingingsrechtelijke aspect van deze zaak. Het incidenteel beroep van HP valt ook het mededingingsrechtelijke oordeel aan. Daarnaast bestrijdt HP onder meer het oordeel van het hof dat zij een ongefundeerde superioriteitsclaim heeft gemaakt op haar website. Het hof zou met dit oordeel de devolutieve werking van het hoger beroep hebben miskend. Hierna wordt alleen ingegaan op de stelplicht en bewijslast bij misbruik van machtspositie (art. 102 VWEU).
Kader: misbruik van machtspositie
De centrale stelling van Digital Revolution is dat HP over een machtspositie in de zin van het mededingingsrecht beschikt op de verschillende cartridgemarkten van haar printers. HP zou deze machtspositie misbruiken met de Dynamic Security.
Voor een succesvol beroep op art. 102 VWEU moet onder meer zijn voldaan aan vier cumulatieve voorwaarden:
(1) de relevante markt waarop de concurrentie zich afspeelt moet worden afgebakend;
(2) er moet worden vastgesteld dat een onderneming een machtspositie heeft op die markt;
(3) de litigieuze gedragingen van die onderneming moeten misbruik van die machtspositie opleveren;
(4) er moet een effect zijn op de handel tussen de lidstaten (die voorwaarde is in de praktijk snel vervuld).
De partij die zich beroept op de schending van art. 102 VWEU moet aannemelijk maken dat aan elk van die voorwaarden is voldaan (zie het kader per voorwaarde in de conclusie van A-G Drijber).
De Hoge Raad: stelplicht en bewijslast van art. 102 VWEU
De Hoge Raad oordeelt onder verwijzing naar het ANVR/IATA-arrest. Voor ondernemingen is het verboden om misbruik te maken van een machtspositie (art. 102 VWEU en art. 24 Mw). De partij die zich op het standpunt stelt dat een ander in strijd met het mededingingsrecht handelt, moet dit onderbouwen met de relevante (economische) feiten en omstandigheden. Dan kan een voldoende adequaat en gefundeerd (economisch) partijdebat en daaropvolgend rechterlijk oordeel mogelijk worden gemaakt (rov. 3.2).
Uit art. 2 van Verordening (EG) nr. 1/2003 volgt dat in alle nationale procedures de partij die beweert dat een inbreuk is gemaakt op art. 102 VWEU, de bewijslast van die inbreuk draagt. De rechter dient in staat te worden gesteld de werking van de desbetreffende markt in voldoende mate te doorgronden om uiteindelijk te kunnen bepalen of, en zo ja in welke mate, de vrije mededinging op die markt is of zou kunnen worden verstoord. Een partij die een mededingingsrechtelijke inbreukvordering instelt, kan in beginsel niet volstaan met een algemene aanduiding van mededingingsrechtelijke verboden, gepaard met de stelling dat deze verboden in het desbetreffende geval zijn geschonden. De Hoge Raad vervolgt in rov. 3.2:
‘[…] De vraag naar de mate waarin (economische) feiten en omstandigheden in een concrete zaak dienen te worden gesteld en, bij betwisting, dienen te worden onderbouwd, kan niet in algemene zin worden beantwoord, omdat dit afhangt van de omstandigheden van het geval, waaronder de aard en ernst van de gestelde inbreuk en de complexiteit van de betrokken markten.’
Het is in deze zaak aan Digital Revolution, die stelt dat HP misbruik maakt van een machtspositie, om die relevante feiten en omstandigheden te stellen en bij een gemotiveerde betwisting door HP nader te onderbouwen. De Hoge Raad oordeelt dat het bestreden oordeel dat Digital Revolution haar stellingen over de relevante markt onvoldoende heeft onderbouwd, ook in het licht van de door Digital Revolution ingeroepen stellingen, niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is (rov. 3.3). De klachten falen.
Verder ziet de Hoge Raad gelet op art. 2 en overweging 5 van Verordening (EG) nr. 1/2003 geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Uit het oordeel van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat de eisen aan de stelplicht en bewijslijst niet afdoen aan het gelijkwaardigheids- en doeltreffendheidsbeginsel (rov. 3.4).
Afdoening
In lijn met de conclusie van A-G Drijber verwerpt de Hoge Raad het principale cassatieberoep. Het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep slaagt echter wel, omdat het hof volgens de Hoge Raad de devolutieve werking heeft miskend. De Hoge Raad vernietigt het arrest op dat punt. Die uitkomst wijkt af van de conclusie van A-G Drijber, die meende dat bij de klachten over de devolutieve werking geen voldoende belang bestond.