HR 10 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1544

Een fusie is geldig zolang de rechter de fusie niet heeft vernietigd. Het ontbreken van instemming van DNB is geen grond voor vernietiging van de fusie. In de parlementaire geschiedenis is geen steun te vinden voor de opvatting dat art. 1:23 lid 1 Wft alleen betrekking heeft op rechtshandelingen tussen een financiële onderneming en particuliere of zakelijke klanten en dat privaatrechtelijke rechtshandelingen tussen financiële ondernemingen buiten het toepassingsbereik van art. 1:23 lid 1 Wft vallen. Art. 3:119 lid 4 Wft houdt niet in dat, in afwijking van art. 1:23 lid 1 Wft, door het ontbreken van instemming van DNB de overdracht van rechten en verplichtingen nietig of vernietigbaar is.

Achtergrond

Dit arrest van de Hoge Raad ziet op twee zaken, die allebei draaien om de pensioenvoorziening van havenwerknemers. Deze pensioenvoorziening was in eerste instantie ondergebracht bij Optas Pensioenen. De statuten van deze verzekeraar bevatten een regeling die inhield dat de winst en reserves slechts konden worden besteed aan het treffen van pensioenvoorzieningen. Na de fusie met Aegon is Optas Pensioenen opgehouden te bestaan. Aegon heeft het vermogen van Optas Pensioenen van 2,5 miljard euro na de fusie als vrij uitkeerbare reserve aangemerkt. DNB had in eerste instantie met deze fusie ingestemd, maar dit instemmingsbesluit is in beroep vernietigd en herroepen door de rechtbank Rotterdam. Er is geen nieuw instemmingsbesluit genomen.

Het geding in feitelijke instanties

Eisers tot cassatie in beide zaken zijn pensioengerechtigden. Zij vorderen jegens Aegon ongedaanmaking van de fusie, althans dat voorzieningen worden getroffen waardoor zij in dezelfde positie komen te verkeren als voorafgaand aan de fusie. In beide zaken heeft het hof, in navolging van de rechtbank, de vorderingen van eisers afgewezen.

Juridisch kader

Art. 2:323 lid 2 BW bepaalt onder andere dat een niet door de rechter vernietigde fusie geldig is.

Art. 1:23 lid 1 Wft bepaalt dat de rechtsgeldigheid van een privaatrechtelijke rechtshandeling welke is verricht in strijd met de bij of krachtens de Wft gestelde regels, niet uit dien hoofde aantastbaar is, behalve voor zover in de Wft anders is bepaald.

Art. 3:119 lid 4 Wft bepaalt dat indien zich niet binnen de door DNB gestelde termijn een vierde of meer van de polishouders tegen de voorgenomen overdracht van rechten en verplichtingen uit levensverzekering heeft verzet en tegen de overdracht ook bij DNB geen bedenkingen bestaan, DNB de levensverzekeraar instemming verleent met de overdracht.

Het geding in cassatie

In cassatie spelen twee vragen: (1) Hebben eisers aanspraak op de winst en reserves van Optas Pensioenen? En (2) wat zijn de gevolgen van het (achteraf) ontbreken van instemming van DNB met de fusie?

Bij de beantwoording van de eerste vraag stelt de Hoge Raad voorop dat deze procedure niet gaat over de vraag of eisers aanspraak kunnen maken op indexering van hun pensioenen – daarvoor is een afzonderlijke procedure aanhangig. In cassatie staat vast dat hun verbintenisrechtelijke aanspraken door de fusie niet zijn aangetast. Dit betekent dat indien de bepalingen in de vervallen statuten van Optas Pensioenen van belang zijn voor de uitleg en omvang van de pensioenaanspraken van eisers, of als aan de statutaire bepalingen een zelfstandig recht op indexering kan worden ontleend, eisers de betreffende aanspraken jegens Aegon kunnen uitoefenen. Tegen deze achtergrond is volgens de Hoge Raad onjuist noch onbegrijpelijk dat eisers volgens het hof onvoldoende hebben toegelicht waarom het vervallen van de statutaire bepalingen afbreuk doet aan hun pensioenaanspraken of negatieve gevolgen zou hebben voor de indexering van de pensioenen, terwijl het wel op hun weg lag om deze toelichting te geven.

De Hoge Raad oordeelt vervolgens dat geen sprake is van een inbreuk op het eigendomsrecht van eisers in de zin van art. 1 EP EVRM of art. 17 EU-Handvest, voor zover al sprake zou zijn van eigendom in de zin van die bepalingen en aan eisers een beroep op deze bepalingen zou toekomen.

Met betrekking tot de tweede vraag oordeelt de Hoge Raad dat, voor zover eisers klagen dat het hof had moeten oordelen dat de fusie nietig is, deze klacht faalt, omdat een fusie ingevolge art. 2:323 lid 2, slot BW geldig is zolang de rechter de fusie niet heeft vernietigd.

De Hoge Raad oordeelt verder dat het ontbreken van de instemming van DNB evenmin grond is voor vernietiging van de fusie. De opvatting van eisers, dat art. 1:23 lid 1 Wft alleen betrekking heeft op rechtshandelingen tussen een financiële onderneming en particuliere of zakelijke klanten en dat privaatrechtelijke rechtshandelingen tussen financiële ondernemingen onderling buiten het toepassingsbereik van art. 1:23 lid 1 Wft zouden vallen, is niet juist. Voor deze opvatting is geen steun te vinden in de parlementaire geschiedenis. De voorloper van art. 1:23 lid 1 Wft is namelijk juist geïntroduceerd om de rechtsonzekerheid af te wenden die onverkorte toepassing van art. 3:40 lid 2 BW mee zou brengen. Het belang van rechtszekerheid kan volgens de Hoge Raad evenzogoed in het geding zijn als het gaat om de rechtsgeldigheid van privaatrechtelijke rechtshandelingen tussen financiële ondernemingen, zoals een fusie. Dit laatste strookt volgens de Hoge Raad ook met de beperkte aantastbaarheid van fusies ingevolge art. 2:323 BW.

Tot slot oordeelt de Hoge Raad dat art. 3:119 lid 4 Wft niet inhoudt dat, in afwijking van art. 1:23 lid 1 Wft, door het ontbreken van instemming door DNB de overdracht van rechten verplichtingen nietig of vernietigbaar is. De parlementaire geschiedenis biedt ook hier geen steun voor de andersluidende opvatting van eisers. Dit zou volgens de Hoge Raad ook niet in de rede liggen, gelet op de beperkte aantastbaarheid van fusies ingevolge art. 2:323 BW.

De Hoge Raad verwerpt in beide zaken het cassatieberoep. Dit is in lijn met de conclusies van A-G Assink.

Share This

Cassatieblog.nl