HR 19 juli 2019 ECLI:NL:HR:2019:1223

De Hoge Raad oordeelt dat de Nederlandse Staat in zeer beperkte mate aansprakelijk is jegens nabestaanden van mannen die zijn omgekomen bij de val van de enclave Srebrenica in juli 1995. De aansprakelijkheid is beperkt tot 10% van de schade die de nabestaanden van de mannen die zich op 13 juli 1995 op de compound van Dutchbat bevonden, hebben geleden.

Achtergrond

In maart 1994 is het Nederlandse bataljon Dutchbat onder VN-bevel naar Srebrenica (Bosnië-Herzegovina) uitgezonden. Srebrenica was in resoluties van de VN-Veiligheidsraad aangewezen als ‘safe area’ en onder bescherming gesteld van de VN-vredesmacht UNPROFOR, waarvan Dutchbat vanaf maart 1994 deel uitmaakt.

Op 11 juli 1995 werd de enclave Srebrenica ingenomen door het Bosnisch-Servische leger. Dutchbat trok zich terug op zijn nabij gelegen compound in Potočari. Een groot deel van de inwoners van Srebrenica, voornamelijk vrouwen en kinderen, vluchtte daar ook naar toe. Een deel van hen, ongeveer 5.000 mensen, werd ondergebracht op de compound. Een veel grotere groep bevond zich op het terrein rondom de compound (ook wel aangeduid als ‘mini safe area’).

De omstandigheden in de mini safe area waren slecht: er was weinig eten, onvoldoende water voor alle vluchtelingen, een tekort aan medische hulpmiddelen en een gebrek aan hygiëne. Op 12 en 13 juli 1995 zijn daarom alle vluchtelingen geëvacueerd, eerst degenen die zich op het terrein buiten de compound bevonden en daarna (in de middag van 13 juli 1995) de vluchtelingen op de compound. Bij de evacuatie van de vluchtelingen hebben de Bosnische Serven de mannelijke gescheiden van de overige vluchtelingen en afgevoerd, en hen (naar later is gebleken) nadien vermoord.

Centraal in deze procedure staat de vraag of de Nederlandse Staat (geheel of gedeeltelijk) aansprakelijk kan worden gehouden jegens de nabestaanden van de moslimmannen die door de Bosnische Serven zijn vermoord. De nabestaanden hebben in de procedure onder meer betoogd dat Dutchbat te weinig heeft gedaan om de opmars van de Bosnische Serven te stuiten en de inname van de enclave tegen te houden. Ook heeft Dutchbat volgens hen onrechtmatig gehandeld door mee te werken aan de evacuatie van de vluchtelingen die naar de ‘mini safe area’ van Dutchbat in Potočari waren gevlucht en aan het afscheiden van de mannen van de overige vluchtelingen.

Oordeel hof

Het gerechtshof in Den Haag verwierp de meeste van deze verwijten. Wel oordeelde het hof dat de Staat in twee opzichten onrechtmatig had gehandeld. In de eerste plaats door bij de evacuatie op 13 juli 1995 de vluchtelingen in groepen en door een ‘sluis’ naar de bussen te laten gaan, waardoor de afscheiding van de mannelijke vluchtelingen door de Bosnische Serven gemakkelijker werd gemaakt. In de tweede plaats door de mannelijke vluchtelingen die zich aan het eind van de middag van 13 juli 1995 op de compound bevonden, niet de keuze te bieden om op de compound te blijven. Volgens het hof is hierdoor aan deze groep vluchtelingen een kans (ter grootte van 30%) onthouden om te ontkomen aan mishandeling en executies door de Bosnische Serven. De Staat werd daarmee door het hof aansprakelijk geacht voor 30% van de schade die is geleden door de nabestaanden van de mannen op de compound.

Cassatie

Zowel de Staat als de nabestaanden hebben beroep in cassatie ingesteld. Een groot deel van de cassatieklachten van de nabestaanden ziet op de vraag of het handelen van Dutchbat tot aan de val van de enclave Srebrenica aan de Staat kan worden toegerekend.

Toerekening van het optreden van Dutchbat aan de Staat?

De Hoge Raad oordeelt – net als het Hof – dat dit niet het geval is omdat de Staat tot 11 juli 1995, 23.00 uur geen effective control had over het optreden van Dutchbat (dat onder bevel van de VN opereerde). Dat brengt volgens internationaal recht mee dat de gedragingen van Dutchbat niet als gedragingen van Nederland gelden maar als gedragingen van de VN. De Nederlandse Staat kan daarom niet aansprakelijk zijn voor de gebeurtenissen die tot de val van de stad Srebrenica hebben geleid. Ook de VN kan daarvoor overigens niet voor de Nederlandse rechter aansprakelijk worden gesteld, omdat aan de VN immuniteit toekomt (zie eerder HR 13 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1999, CB 2012-85).

Begeleiding evacuatie door Dutchbat niet onrechtmatig

Daarmee komt de Hoge Raad toe aan een beoordeling van de twee verwijten die het hof aan Dutchbat had gemaakt. Daarbij stond bij het hof in en cassatie niet ter discussie dat het optreden van Dutchbat na de val van de enclave aan de Staat kan worden toegerekend (aldus eerder HR 6 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9225 en ECLI:NL:HR:2013:9228, CB 2013-148).

Op het cassatieberoep van de Staat beslist de Hoge Raad in de eerste plaats dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat Dutchbat onrechtmatig heeft gehandeld door op 13 juli 1995 de evacuatie van de vluchtelingen te blijven begeleiden (waardoor het de Bosnische Serven makkelijker werd gemaakt om de mannelijke vluchtelingen van de vrouwen en kinderen te scheiden).

Gegeven de oorlogssituatie, waarin onder grote druk beslissingen moesten worden genomen en het feit dat op basis van een afweging van prioriteiten keuzes gemaakt moesten worden, heeft Dutchbat redelijkerwijs ervoor mogen kiezen om de evacuatie te blijven begeleiden om zo – in ieder geval – het ontstaan van chaos en het risico van ongevallen voor de meest kwetsbaren (vrouwen, kinderen en ouderen) te voorkomen, aldus de Hoge Raad. Hij weegt daarbij ook mee dat het voor het lot van de mannelijke vluchtelingen niets hebben uitgemaakt als Dutchbat zijn medewerking had beëindigd omdat de evacuatie hoe dan ook zou zijn voortgezet door de Bosnische Serven. Het stoppen van die begeleiding zou (naar voor Dutchbat duidelijk was) geen invloed hebben gehad op het risico voor de mannelijke vluchtelingen die buiten de compound verbleven omdat zij zich niet konden verbergen. Ook als Dutchbat zou stoppen met het begeleiden van de evacuatie, zouden de Bosnische Serven deze mannen dus van de overige vluchtelingen scheiden en afvoeren. Dutchbat mocht er daarom voor kiezen de begeleiding voort te zetten om te voorkomen dat vrouwen en kinderen onder de voet zouden worden gelopen.

Positie van de groep mannen op de compound;
toepassing leerstuk verlies van een kans

Ten aanzien van het tweede verwijt (Dutchbat had de mannen die zich op 13 juli 1995 nog op de compound bevonden de mogelijkheid moeten bieden om daar te blijven) laat de Hoge Raad het oordeel van het hof dat Dutchbat onrechtmatig heeft gehandeld in stand.

Wel vernietigt de Hoge Raad het oordeel van het hof dat de mannen, als zij deze keuze wel hadden gehad, een kans van 30% op overleven hadden gehad. De Hoge Raad gaat daarbij in op de verschillende omstandigheden die het hof ook in zijn oordeel had meegewogen: de Bosnische Serven zouden naar alle waarschijnlijkheid door inspecties op de compound spoedig hebben ontdekt dat daar mannelijke vluchtelingen waren achtergebleven; zij zouden vervolgens alles op alles hebben gezet om hen alsnog van de compound af te (doen) voeren met alle gevolgen van dien; het staat geenszins vast dat Dutchbat de mannen dan effectief tegen de Bosnische Serven had kunnen beschermen; de Bosnische Serven waren ook bij machte om de compound van bevoorrading af te sluiten; de kans op effectieve hulp voor Dutchbat door de internationale gemeenschap, bij voorbeeld door middel van air strikes, was niet groot.

Deze omstandigheden bieden volgens de Hoge Raad nauwelijks aanknopingspunten voor de gedachte dat de Bosnische Serven de achtergebleven groep mannelijke vluchtelingen na ontdekking met rust zouden hebben gelaten en veilig zouden hebben laten vertrekken, zodat het oordeel van het hof over het causaal verband niet in stand kan blijven. De Hoge Raad beslist vervolgens om zelf de zaak op dit punt af te doen door een eigen oordeel te geven over het causaal verband. Dat oordeel luidt dat de kans dat de mannelijke vluchtelingen, als hun de keuze was geboden op de compound achter te blijven, uit handen van de Bosnische Serven zouden zijn gebleven, weliswaar klein was maar niet verwaarloosbaar, en moet worden geschat op 10%.

De aansprakelijkheid van de Staat is daarom beperkt tot 10% van de schade die de nabestaanden van de groep mannelijke vluchtelingen op de compound hebben geleden.

De Staat is in deze zaak bijgestaan door de auteur.

Share This