

Appel bij een processueel ondeelbare rechtsverhouding: ontbrekende partijen kunnen via art. 118 Rv worden opgeroepen
HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411
Een vordering tot boedelbeschrijving en verdeling van een nalatenschap betreft in beginsel een ‘processueel ondeelbare rechtsverhouding’, waarbij het rechtens noodzakelijk is dat een beslissing daarover in dezelfde zin luidt ten aanzien van alle bij die rechtsverhouding betrokkenen. Wanneer een partij een dergelijke beslissing wil uitlokken, dienen dan ook alle bij de rechtsverhouding betrokken partijen in het geding te worden geroepen, zowel in eerste aanleg, als in volgende instanties. Indien dit is nagelaten moet de rechter gelegenheid geven om de ontbrekende partij(en) op de voet van art. 118 Rv alsnog in het geding te betrekken. Lees meer…

Gesubrogeerde WAM-verzekeraar gebonden aan forumkeuzebeding tussen verzekerde en derde
HR 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:694
De rechtstreeks door de benadeelde op grond van art. 6 WAM aangesproken WAM-verzekeraar wordt alleen gesubrogeerd in de rechten van de verzekerde jegens een derde (art. 7:962 BW) en niet tevens in de rechten van de benadeelde jegens die derde (art. 6:102 BW en 6:10 BW). Lees meer…

Vaststelling Nederlanderschap kind op basis van naturalisatie moeder?
HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:756
Het begrip ‘kinderen die feitelijk behoren tot het gezin’ in art. 47 lid 1 Vreemdelingenbesluit (oud) ziet ook op de situatie dat een kind inwoont of intrekt bij zijn grootouder(s), en uit de feiten en omstandigheden volgt dat het kind en zijn grootouder(s) samen daadwerkelijk een gezin vormen. Lees meer…

Verzekering voor aansprakelijkheid op grond van art. 6:169 lid 2 BW neemt belang bij vordering niet weg
HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:757
De enkele omstandigheid dat ouders voor hun op art. 6:169 lid 2 BW berustende aansprakelijkheid verzekerd zijn, brengt niet mee dat zij geen belang hebben bij een beoordeling van hun aansprakelijkheid voor de gedragingen van hun zoon. Lees meer…

Voorwaarden aan omzettingsverzoek ex art. 15b Fw
HR 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:696
Voor een verzoek tot omzetting van een faillissement in de schuldsaneringsregeling (art. 15b Fw) is een schriftelijke verklaring van de curator waarin is vermeld dat de curator heeft onderzocht of de gefailleerde aan zijn schuldeisers een akkoord in de zin van art. 138 Fw kan aanbieden, voldoende. Een schriftelijke verklaring van de curator waaruit blijkt dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen is niet vereist. De Hoge Raad corrigeert hiermee zijn eerdere rechtspraak. Lees meer…

Belemmeringsverbod (art. 9a Waadi) ziet niet enkel op arbeidsovereenkomst, maar ook op arbeidsverhouding
HR 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:689
De woorden ‘geen belemmeringen (…) voor de totstandkoming van een arbeidsovereenkomst’ in art. 9a van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi) moeten worden gelezen als ‘geen belemmeringen (…) voor de totstandkoming van een arbeidsovereenkomst of een arbeidsverhouding’, waarbij het begrip ‘arbeidsverhouding’ moet worden uitgelegd in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie over de Uitzendrichtlijn. Lees meer…

Reikwijdte sanctie artikel 3:194 lid 2 BW
HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:565
Voor toepassing van artikel 3:194 lid 2 BW is niet voldoende dat de deelgenoot die een tot de gemeenschap behorend goed verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt (niet wist maar) behoorde te weten dat dit goed tot de gemeenschap behoort. De sanctie vervalt niet nadat de desbetreffende deelgenoot tot inkeer is gekomen, omstandigheden die een beroep op beperkende werking van redelijkheid en billijkheid rechtvaardigen daargelaten. Lees meer…

Hoge Raad beantwoordt prejudiciële vragen over schadevergoeding bij beëindiging leaseovereenkomst wegens wanbetaling
HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:773
De Hoge Raad beantwoordt prejudiciële vragen over schadevergoeding bij beëindiging dan wel ontbinding van een effectenleaseovereenkomst wegens wanbetaling van een lessee en concludeert dat art. 6 van de door Dexia gehanteerde Bijzondere voorwaarden een oneerlijk beding is in de zin van de Richtlijn 93/13/EEG voor zover het betrekking heeft op de rentetermijnen die ten tijde van de beëindiging nog toekomstig waren.

Aanvangsmoment korte verjaringstermijn: bekendheid met de aansprakelijke persoon
HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:552 (Mispelhoef/Rijkswaterstaat)
De verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW begint pas te lopen wanneer de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering in te stellen. Dat de benadeelde bekend is met de mogelijkheid dat een bepaalde persoon de schade heeft veroorzaakt, is onvoldoende om aan te nemen dat bij hem voldoende zekerheid bestaat over de aansprakelijke persoon. Lees meer…

Verwachtingswaarde bij onteigening: eliminatie van plannen
HR 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:691 (X/Staat)
Bij de bepaling van de werkelijke waarde, waaronder begrepen de verwachtingswaarde, mogen niet zonder meer alle planologische stukken waarin rekening wordt gehouden met het werk buiten beschouwing worden gelaten. Ten aanzien van elk van die planologische stukken moet worden beoordeeld of reeds sprake is van of wordt voortgebouwd op concrete plannen voor het werk waarvoor is onteigend. Lees meer…