
Aanvang verjaringstermijn in geval van onverschuldigde betaling
HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1052 (De Leeuw c.s. / Pinoccio)
De korte verjaringstermijn van art. 3:309 BW staat niet alleen in het teken van de rechtszekerheid, maar ook van de billijkheid; ook voor deze termijn geldt de eis dat deze pas begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot terugbetaling in te stellen. Lees meer…
Toepasselijk recht bij onrechtmatige internetpublicaties
HR 3 juni 2016 – ECLI:NL:HR:2016:1054 (journalist / Dahabshiil Transfer Services Ltd.)
In een geval van (gestelde) onrechtmatige internetpublicaties kan “land waar de schade zich voordoet” (art. 4 lid 1 Rome-II) worden uitgelegd als het land waar het centrum van de belangen van het slachtoffer (als bedoeld in de jurisprudentie van het HvJEU inzake de EEX-Vo.) zich bevindt. Lees meer…
Opzegging lidmaatschap in strijd met art. 2:8 BW
HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1061 (IMG / X BV)
1. Ook indien een lid van een rechtspersoon wil opkomen tegen de opzegging van zijn lidmaatschap van die rechtspersoon, sluit art. 2:15 BW een op onrechtmatige daad gebaseerde vordering niet uit. 2. Handelen in strijd met art. 2:8 lid 1 BW brengt niet zonder meer mee dat sprake is van onrechtmatig handelen. Het betreft hier verschillende normen met een open karakter die dienen te worden ingevuld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Lees meer…
Hoogte en duur rentevergoeding over onrechtmatig uit vermogen erflaatster onttrokken bedragen
HR 27 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:995
Ingevolge art. 6:119 lid 1 BW bestaat de schadevergoeding wegens vertraging in de voldoening van een verschuldigde geldsom in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest. ’s Hofs oordeel om de wettelijke rente plus 1% te berekenen, getuigt daarmee van een onjuiste rechtsopvatting. Daarnaast heeft het hof ten onrechte de rentevordering toegewezen tot de datum van het eindvonnis en niet tot de dag van betaling en is in de staat van verdeling ten onrechte een lening niet vermeld. Lees meer…
Gevolgen van te late aanvaarding overeenkomst
HR 27 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:996
Als een aanbod te laat aanvaard wordt, komt de overeenkomst alleen op basis van art. 6:223 BW tot stand wanneer het de aanvaardende partij niet duidelijk was of hoefde te zijn, dat deze aanvaarding te laat was. Lees meer…
Bij onttrekking advocaat wordt de zaak verwezen in de staat waarin zij zich bevindt
HR 2 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:920
Ambtshalve peremptoir gesteld na zeven aanhoudingen voor grieven onttrekt de advocaat van appellant zich. Het hof verleent direct akte niet-dienen. Daarmee heeft het hof het art. 6.2 en 6.3 van het pilotreglement geschonden: het hof had uitstel moeten verlenen wegens de onttrekking. Lees meer…
Renovatie van woonruimte; wanneer moet de verhuurder verhuiskosten van huurder vergoeden?
HR 22 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:726
De Hoge Raad beantwoordt prejudiciële vragen over bijdrage door verhuurder verhuiskosten van huurder bij renovatie woonruimte (art. 7:220 BW) en geeft enkele richtlijnen ter beantwoording van de vraag wanneer de verhuurder een bijdrage in de verhuiskosten van de huurder verschuldigd is. Lees meer…
De voorwaardelijke toestemming tot erkenning
HR 30 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3196; HR 6 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3244 en HR 13 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:851.
De regel dat de moeder van het kind aan een andere man dan de verwekker slechts voorwaardelijk toestemming kan verlenen om het kind te erkennen indien de verwekker voordien een verzoek om vervangende toestemming bij de rechtbank heeft ingediend, geldt óók voor het geval de verwekker door middel van een brief van een advocaat aan de moeder (of aan haar advocaat) om toestemming tot erkenning heeft verzocht. Teneinde te voorkomen dat de situatie te lang ongewis blijft, dient de verwekker het verzoek om vervangende toestemming bij de rechtbank in te dienen uiterlijk drie maanden na de dag waarop de brief van de advocaat aan de moeder is verzonden. Lees meer…
Geen ex nunc-beoordeling van samenwoning (art. 1:160 BW) in procedure na verwijzing
HR 20 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:921
Het oordeel van de rechter dat sprake was van samenwonen als waren zij gehuwd (art. 1:160 BW) is niet vatbaar voor wijziging op de voet van art. 1:401 BW. Met betrekking tot dit oordeel geldt dus niet de voor alimentatiezaken aanvaarde regel dat de rechter de zaak na vernietiging en verwijzing in volle omvang moet beoordelen met in achtneming van alle op dat moment bestaande omstandigheden (zoals in casu het gegeven dat de eerdere samenwoning inmiddels weer is beëindigd). Het uitzonderlijke en onherroepelijke karakter van de uit art. 1:160 BW voorvloeiende sanctie doet daaraan niet af. Lees meer…
Executerende pandhouder met boedelvordering blijft curator en de fiscus voor
HR 15 april 2015, ECLI:NL:HR:2016:665, (Curator/Heineken)
Een boedelschuldeiser die ook een pandrecht heeft op bodemzaken, mag zijn pandrecht op die bodemzaken in beginsel uitwinnen ongeacht het bodemvoorrecht van de belastingdienst en de boedelvordering van de curator. De preferente vordering van de belastingdienst concurreert immers niet met de boedelvordering, en het recht op parate executie van de pandhouder maakt dat geen omslag van de faillissementskosten verplicht is. Lees meer…