
Vrije advocaatkeuze – vrije keuze toegevoegde advocaat? Verkorte motivering
HR 13 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:853
Doorgaans slaan we uitspraken die met verkorte motivering (art. 81 RO) worden afgedaan op dit blog over. Soms is het aardig er toch op een te wijzen. In dit cassatieberoep is een aspect van de vrije advocaatkeuze aan de orde gesteld (vergelijk over vrije advocaatkeuze eerder CB 2013-188, CB 2014-48 en CB 2016-67). Betekent die vrije keuze dat een burger die op basis van een toevoeging procedeert zijn eigen advocaat mag kiezen? Wat is in dat verband de betekenis van de eisen die de Raad voor rechtsbijstand stelt aan advocaten die werkzaam zijn op bepaalde rechtsgebieden? Lees meer…
Tegenbewijs tegen partij-verklaring in notariële akte kan ook inhouden dat onjuist is verklaard
HR 13 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:848 (Benu Nederland B.V. / verweersters)
De mogelijkheid om tegenbewijs (art. 151 Rv) te leveren tegen een notariële akte inhoudende een partij-verklaring (art. 157 lid 2 Rv) is niet beperkt tot de stelling dat ten overstaan van de notaris anders is verklaard dan in de akte is opgenomen. Het tegenbewijs kan ook betrekking hebben op de stelling dat de in de akte opgenomen verklaring niet overeenstemt met de werkelijkheid. Lees meer…
Verbintenis tot teruggave na ontbinding koopovereenkomst
HR 13 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:852
De oorspronkelijke koper diende rekening te houden met de na ontbinding van de koopovereenkomst ontstane verbintenis tot teruggave van de prestatie, ook al had het hof verzuimd te beslissen op een vordering met diezelfde strekking van de verkoper.
Eenzijdige wijzigingsbevoegdheid erfpachtcanon, het bepaalbaarheidsvereiste en de onredelijk bezwarendheid
HR 29 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:769 (Stichting Erfpachters Belang Amsterdam c.s. / Gemeente Amsterdam)
Diverse oordelen over de geldigheid van de canonherzieningsbepaling in Algemene Bepalingen behorende bij erfpachtakte, waaronder de volgende. 1. Zowel naar oud, als naar nieuw recht (art. 5:85 BW) is voldoende dat de canon bij aanvang van de erfpacht is opgenomen en dat die akte verwijst naar een in de algemene voorwaarden opgenomen herzieningsbepaling. 2. Gelet op de temporele werking van Richtlijn 93/13/EEG is deze niet van toepassing op de hier bestreden Algemene Bepalingen. 3. Een eenzijdige wijzigingsbevoegdheid is niet per definitie onredelijk bezwarend. Lees meer…
Voldoende bepaalbaarheid aanbod voor nieuwe erfpachtcanon mede afhankelijk van redelijkheid en billijkheid
HR 29 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:765 (Gemeente Amsterdam / X)
Het hof heeft te strenge eisen gesteld aan de bepaalbaarheid (art. 6:227 BW) van de korting van de afkoopsom van de erfpachtcanon, door te vergen dat deze korting in de aanbiedingsbrief wordt genoemd of daaruit kan worden opgemaakt. Voldoende is dat de korting overeenkomstig de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 BW) en conform het gemeentelijk besluit betreffende de ingroeiregeling kan worden berekend, bijvoorbeeld door bij het bepalen van de korting aan te sluiten bij de omvang van de korting op de jaarlijks verschuldigde canonbedragen. Lees meer…
Ook ontslagbescherming lid ondernemingsraad indien niet aan vereisten WOR is voldaan
HR 8 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:604 (Regiobouw B.V. / verweerder)
1. De art. 7:670 lid 4 en 7:670a lid 1 (oud) BW – die ontslagbescherming toekennen aan (onder meer) een werknemer die lid is (geweest)van een ondernemingsraad – kunnen onder omstandigheden ook toepassing vinden in een geval dat de desbetreffende ondernemingsraad niet in alle opzichten voldoet aan de eisen die de WOR daaraan stelt. 2. Bij de bepaling van het bedrag aan schadevergoeding voor kennelijk onredelijk ontslag dient de rechter kenbaar aandacht te besteden aan de vraag of omstandigheden die na het einde van de dienstbetrekking zijn ingetreden aanwijzingen opleveren voor wat uiterlijk op ontslagdatum kon worden verwacht. Dit geldt ongeacht op welke omstandigheden de kennelijke onredelijkheid berust. Lees meer…
Verdeling ontbonden gemeenschap: draagplicht advocaatkosten
HR 22 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:723
Vernietiging van het oordeel dat de vrouw voor de helft draagplichtig is voor door de man gemaakte advocaatkosten. Mede gelet op het feit dat proceskosten in procedures van familierechtelijke aard plegen te worden gecompenseerd, heeft het hof zijn oordeel dat geen termen aanwezig zijn om op grond van beginselen van redelijkheid en billijkheid af te wijken van de hoofdregel van art. 1:100 BW inzake gemeenschapsschulden onvoldoende gemotiveerd. Lees meer…
Duurovereenkomst voor onbepaalde tijd kan naar de bedoeling van partijen niet-opzegbaar zijn
HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:660 (Provincie Noord-Holland c.s./Gemeente Amsterdam)
Een voor onbepaalde tijd gesloten duurovereenkomst kan naar de bedoeling van partijen niet-opzegbaar zijn, met dien verstande dat de wederpartij van degene die zich op de niet-opzegbaarheid beroept, onder omstandigheden daartegen een beroep kan doen op art. 6:248 lid 2 BW en 6:258 BW. De stelplicht en bewijslast van de niet-opzegbaarheid rusten op de partij die zich daarop beroept. Voor die stelplicht en bewijslast gelden geen verzwaarde eisen. Lees meer…
Voor in faillissement erkende vordering geldt verjaringstermijn van twintig jaar
HR 29 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:729
De bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van het in art. 196 Fw bedoelde proces-verbaal van de verificatievergadering verjaart ingevolge art. 3:324 lid 1 BW door verloop van twintig jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop dat proces-verbaal op de voet van art. 121 lid 3 Fw door de rechter-commissaris en de griffier is ondertekend. Lees meer…
Restrictieve maatstaf van art. 1:160 BW en bewijslastverdeling
HR 22 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:724
(1) Voor de vaststelling dat sprake is van ‘samenwonen als waren zij gehuwd’ ( art. 1:160 BW) moet aan vijf vereisten voldaan zijn. De stelplicht en bewijslast voor al deze vereisten ligt bij de alimentatieplichtige. ’s Hofs aanname dat (ook) aan het vereiste van wederzijdse verzorging was voldaan, strookt niet met deze bewijslastverdeling. (2) Bij het opleggen van een terugbetalingsverplichting na beëindiging van de alimentatieaanspraak ex art. 1:160 BW gelden niet de bijzondere motiveringseisen van (o.a.) HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:232, CB 2015-30. (3) Kosten van het rechercherapport kwalificeren niet als proceskosten in de zin van art. 239 Rv. Lees meer…