

Herroeping arbitraal vonnis: begin termijn art. 1068 lid 2 Rv als beroep wordt gedaan op elk van de drie herroepingsgronden
28 mei 2021 ECLI:NL:HR:2021:784
De driemaandentermijn van art. 1068 lid 2 Rv kan – naar gelang de omstandigheden van het geval – voor elke afzonderlijke herroepingsgrond aanvangen op het zelfde moment, of juist op uiteenlopende momenten.
Het gaat in dit geschil om de vraag of een partij de driemaandentermijn van art. 1068 lid 2 Rv voor herroeping van een arbitraal vonnis heeft laten verstrijken en het moment waarop de driemaandentermijn voor elk van de herroepingsgronden van dat artikel aanvangt. Lees meer…

Prejudiciële vragen: Omvang van het geding bij de kantonrechter na een beslissing van de huurcommissie
HR 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:657
Wanneer een huurder of een verhuurder van een woonruimte tijdig een vordering als bedoeld in art. 7:262 BW instelt, zijn partijen in het geheel niet meer gebonden aan de uitspraak van de huurcommissie. Het is dan aan de kantonrechter om te beslissen over het geschil tussen partijen. Daarmee strookt dat de kantonrechter ook moet beslissen over andere bij de huurcommissie aan de orde gestelde geschilpunten dan door de eiser aan de kantonrechter worden voorgelegd. Het is dus niet nodig dat de gedaagde deze andere geschilpunten als verweer of door middel van een vordering in reconventie aan de orde stelt. Lees meer…

De zorgplicht van een juridisch adviseur bij onderhandelingen
HR 21 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:753
Niet begrijpelijk oordeel van het hof dat het voor eisers ook zonder waarschuwing door hun juridisch adviseur duidelijk moest zijn dat het niet zonder meer aanvaarden van een schikkingsvoorstel (door het doen van een tegenvoorstel) tot gevolg kon hebben dat uiteindelijk een slechter resultaat zou worden geboekt. Lees meer…

De causaliteitsmaatstaf bij een verzekeringsovereenkomst
HR 4 juni 2021 ECLI:NL:HR:2021:815
Bij de vraag van welke causaliteitsmaatstaf moet worden uitgegaan om te bepalen of het in een verzekeringsovereenkomst verlangde causale verband aanwezig is, komt het in de eerste plaats aan op wat partijen daarover zijn overeengekomen. Als de overeenkomst daarover niets regelt, is de rechter niet gehouden de aanwezigheid van het causale verband in beginsel te onderzoeken aan de hand van de leer van de dominant cause. Lees meer…

Wvggz: geen nawerking – aansluitende zorgmachtiging moet (kunnen) aansluiten
Hoge Raad 4 juni 2021 ECLI:NL:HR:2021:818
De rechtbank heeft op het verzoek om een aansluitende zorgmachtiging voor de duur van een jaar beslist nadat de geldigheidsduur van de eerdere zorgmachtiging was verstreken, terwijl de officier van justitie zijn verzoek om deze vervolgmachtiging niet had ingediend uiterlijk vier weken voordat de lopende machtiging verstreek. Aldus was geen sprake van aansluiting en kon de vervolgmachtiging niet worden verleend voor de duur van twaalf maanden. Lees meer…

Voor ontslag op de e-grond is niet vereist dat dit het laatste redmiddel is
HR 28 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:781
Voor een ontslag op de e-grond is niet vereist dat dit het laatste redmiddel is, in die zin dat een ontslag alleen mogelijk zou zijn als de werkgever met minder ingrijpende middelen niet kan volstaan. Voor een dergelijke opvatting biedt noch de tekst van de wet, noch de wetsgeschiedenis een aanknopingspunt. Lees meer…

Dwangsomveroordeling vereist termijn voor nakoming
HR 28 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:792
Het hof heeft ten onrechte geen termijn voor nakoming van een tweetal veroordelingen bepaald en ook niet op de voet van art. 611a lid 4 Rv bepaald dat de veroordeelde partij pas na verloop van een zekere termijn een dwangsom zal verbeuren. Voor een geldige dwangsomveroordeling is dat vereist. Lees meer…

Over niet-toegestane betalingstransacties vanaf een bankrekening
HR 21 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:749
De omstandigheid dat betaalopdrachten zijn verleend in de juiste vorm en procedure en dat de betaaldienstverlener de transacties heeft geauthenticeerd, staat niet eraan in de weg dat deze betalingstransacties worden aangemerkt als niet toegestaan. De betaaldienstgebruiker heeft de verplichting om de betaaldienstverlener “onverwijld” in kennis te stellen van verlies, diefstal of onrechtmatig gebruik van het betaalinstrument of van het niet-toegestane gebruik ervan. Met “onverwijld” wordt bedoeld dat die mededelingsverplichting aanvangt op het moment dat hij (subjectieve) bekendheid heeft met de niet-toegestane betalingstransactie. Hiervan kan niet ten nadele van de consument-betaaldienstgebruiker worden afgeweken. Lees meer…

Mogelijke precedentwerking vormt geen voldoende belang bij een vordering tot voeging
HR 21 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:750
In een mogelijke precedentwerking van een uitspraak is niet reeds een voldoende belang gelegen bij een vordering tot voeging. Dit geldt ook als sprake is van sterk op elkaar gelijkende vorderingen of feitencomplexen tussen deels dezelfde partijen. Lees meer…

Zekerheidstelling voor proceskosten in cassatie
HR 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:651
De Hoge Raad heeft beslist dat zekerheidstelling voor proceskosten alleen mogelijk is in de lopende instantie en dus niet voor onbetaald gebleven proceskosten in eerdere instanties. In deze zaak wijst de Hoge Raad de gevorderde zekerheidstelling voor proceskosten in cassatie toe.