Selecteer een pagina

HR 29 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1615

Het oordeel van het hof dat Solidiam niet als geldnemer moet worden aangemerkt, kan niet in stand blijven.

Achtergrond

In deze zaak staat de vraag centraal wie als geldnemer(s) moet(en) worden aangemerkt van een door eiser tot cassatie (hierna: eiser) in het kader van de aankoop van een vastgoedportefeuille uitgeleend bedrag van (per saldo) € 2.000.000,-. De rechtbank heeft bepaald dat dit (enkel) Solidiam N.V. (hierna: Solidiam) is. Volgens het hof is echter niet Solidiam, maar [A] B.V. (hierna: A) de geldnemer.

Het hof heeft daartoe, kort samengevat, het volgende overwogen en geoordeeld:

(i) de lening is aangewend voor de verwerving van vastgoed door A;

(ii) eiser heeft bij de overboeking op 5 oktober 2010 dossiernummer [001] vermeld, welk dossiernummer ook is vermeld op de afrekeningsnota van de notaris aan A;

(iii) eiser heeft rentefacturen aan A gericht, die op de facturen heeft betaald; en

(iv) het moet ervoor worden gehouden dat eiser wist of had moeten weten dat hij ten behoeve van de aankoop van het vastgoed door A betaalde.

A heeft in die uitspraak berust; eiser en Solidiam niet. In het principaal cassatieberoep komt eiser op tegen het oordeel van het hof dat Solidiam geen geldnemer is. Eiser klaagt in de kern dat het hof niet heeft beoordeeld welke partijen wilsovereenstemming hebben bereikt en dat het hof ten onrechte geen onderscheid heeft gemaakt tussen de vraag welke partij geldnemer is (dat is (ook) Solidiam, volgens eiser) en welke partij verkrijger is van hetgeen met de geldlening is gefinancierd (A). In het voorwaardelijk ingestelde incidentele cassatieberoep stelt Solidiam dat het onjuist, althans onbegrijpelijk is voor zover het hof de mogelijkheid heeft opengelaten dat Solidiam naast A is gehouden de geldlening aan eiser terug te betalen.

Wie is partij bij de (geldleen)overeenkomst?

De vraag welke partij geldnemer is, komt neer op de vraag wie (naast eiser) partij is bij de (geldleen)overeenkomst. De Hoge Raad stelt in dit kader het volgende voorop.

Het antwoord op de vraag wie partij is bij een overeenkomst is afhankelijk is van hetgeen partijen jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Tot de omstandigheden die in dit verband in aanmerking moeten worden genomen, behoort tevens de voor de wederpartij kenbare hoedanigheid en de context waarin partijen optraden. Ook gedragingen, verklaringen en andere omstandigheden, die hebben plaatsgevonden nadat de overeenkomst is gesloten, kunnen van belang zijn.

In het licht van deze maatstaf slagen volgens de Hoge Raad de klachten van eiser, op de gronden zoals die in de conclusie van A-G Hartlief onder 3.9 tot en met 3.16 zijn uiteengezet. Kern van die gronden is het volgende (waarbij door de A-G wordt verwezen naar de hiervóór in (i)-(iv) aangehaalde oordelen van het hof):

“3.11 Met betrekking tot de overwegingen onder (i), (ii) en het oordeel onder (iv) geldt dat hieruit niet blijkt dat het hof heeft beoordeeld wat [eiser] en [erflater] jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. In plaats daarvan lijkt het hof van (doorslaggevend) belang te hebben geacht waarvoor het geld is aangewend, wie het geld uiteindelijk heeft ontvangen/gebruikt en of [eiser] dit ten tijde van het verstrekken van het geld wist of had moeten weten. Dat het geld, al dan niet met medeweten van [eiser] , aan [A] ten goede is gekomen, is echter onvoldoende om aan te nemen dat [eiser] (dus) met [A] een overeenkomst van geldlening heeft gesloten.

3.12 Met betrekking tot de overweging onder (iii) geldt dat de rentefacturen en -betalingen weliswaar omstandigheden betreffen die relevant kunnen zijn bij de beoordeling van de vraag met wie [eiser] een overeenkomst tot geldlening is aangegaan, maar die omstandigheden zijn niet zonder meer doorslaggevend. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen (randnummer 2.5 hiervoor), kan een verbintenis immers in beginsel door een ander dan de schuldenaar worden nagekomen (art. 6:30 BW). Dat [A] eenmaal op de lening heeft afgelost en tweemaal een rentebetaling heeft gedaan (randnummers 1.12, 1.15 en 1.17 hiervoor), betekent dus niet noodzakelijkerwijs dat [A] ook als schuldenaar heeft te gelden.”

Volgt vernietiging in het principale beroep en verwijzing. De Hoge Raad verwerpt het incidentele beroep met toepassing van art. 81 RO.

Share This