Vaststelling prejudiciële vragen over auteursrechtinbreuk door platform voor Usenetdiensten

Vaststelling prejudiciële vragen over auteursrechtinbreuk door platform voor Usenetdiensten

HR 7 juni 2019 ECLI:NL:HR:2019:849

Dit arrest is een vervolg op het arrest van 5 april 2019, ECLI:NL:2019:503 (Brein/NSE)  waarin de Hoge Raad vier prejudiciële vragen wil stellen aan het HvJEU over mogelijke auteursrechtinbreuk door een Usenetaanbieder.
Het arrest van 5 april 2019 is uitgebreid besproken in CB 2019 – 53. Partijen hebben hun commentaar op de voorgestelde vragen gegeven en de opmerkingen geven de Hoge Raad aanleiding tot het schrappen van twee passages omtrent een zoekfunctie, er is rekening mee gehouden met het feit dat een conceptrichtlijn inmiddels is gepubliceerd en de woordvolgorde in vraag 3 is gewijzigd. Lees meer…

Negatieve verklaring voor recht; daarvoor vereist belang en stelplicht en bewijslast

Negatieve verklaring voor recht; daarvoor vereist belang en stelplicht en bewijslast

HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590

(i) In het vereiste van voldoende belang bij een verklaring voor recht als bedoeld in art. 3:303 BW ligt besloten dat het belang bij het instellen van een vordering evenredig moet zijn aan het belang van de wederpartij en dat van een behoorlijke rechtspleging. Dat voldoende belang bestaat bij een vordering mag in beginsel worden verondersteld. Dat geldt ook voor het belang van Dexia bij haar negatieve verklaring voor recht om een einde te maken aan onzekerheid.
(ii) Indien dat belang wordt betwist of de rechter ambtshalve opheldering wenst over dat belang, rusten de stelplicht en bewijslast ter zake in beginsel op degene die de vordering instelt.
(iii) Een partij kan ook recht hebben op vergoeding van buitengerechtelijke kosten voor buitengerechtelijke werkzaamheden die zijn verricht met het oog op het verkrijgen van een hogere vergoeding dan waarop deze partij recht heeft. Lees meer…

Overdrachtsregeling Conservatrix blijft in stand

Overdrachtsregeling Conservatrix blijft in stand

HR 17 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:746 (Conservatrix Groep/De Nederlandsche Bank c.s.)

Overdracht van aandelen in verzekeraar Conservatrix op grond van door DNB opgesteld overdrachtsplan. Uit de motivering van de beslissing van de rechtbank blijkt dat zij de oordelen van DNB en de daartegen door Conservatrix Groep aangevoerde argumenten inhoudelijk heeft onderzocht en daarbij niet terughoudender is geweest dan de wettelijke regeling voorschrijft.

Lees meer…

Wet Bopz: veiligheid van de psychiater; verlening machtiging onder opschortende voorwaarde steeds mogelijk in geval van strafrechtelijke detentie

Wet Bopz: veiligheid van de psychiater; verlening machtiging onder opschortende voorwaarde steeds mogelijk in geval van strafrechtelijke detentie

HR:24 mei 2019 ECLI:NL:HR:2019:814

Het is aan de onderzoekend psychiater om aan de hand van de over betrokkene bekende gegevens te beoordelen of het meebrengen of toelaten van beveiliging noodzakelijk is.
Het verlenen van een rechterlijke machtiging onder een opschortende voorwaarde van beëindiging van een strafrechtelijke maatregel is toelaatbaar in alle gevallen waarin de betrokkene op strafrechtelijke grondslag is gedetineerd. Uit het bepaalde in art. 10 lid 1 Wet Bopz volgt evenwel dat ook een machtiging waaraan zodanige voorwaarde is verbonden, niet meer ten uitvoer kan worden gelegd wanneer meer dan twee weken na haar dagtekening zijn verlopen. Lees meer…

Aansprakelijkheid van een (Arubaans) accountantskantoor jegens derden

Aansprakelijkheid van een (Arubaans) accountantskantoor jegens derden

HR 17 mei 2019 ECLI:NL:HR:2019:744

Een accountantskantoor dient bij het uitvoeren van werkzaamheden de in het maatschappelijk verkeer vereiste zorgvuldigheid in acht te nemen. Die in acht te nemen zorgvuldigheid wordt mede bepaald door de gedrags- en beroepsregels voor accountants. Dat de Nederlandse gedrags- en beroepsregels formeel niet in Aruba gelden, betekent niet dat die regels geen rol spelen voor Arubaanse accountants. De normen uit de Nederlandse gedrags- en beroepsregels geven invulling aan hetgeen – ook in Aruba – volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Lees meer…

Het gevaar van tegenstrijdige beslissingen brengt mee dat dat in geval van voeging of tussenkomst art. 140 lid 3 Rv eveneens geldt

Het gevaar van tegenstrijdige beslissingen brengt mee dat dat in geval van voeging of tussenkomst art. 140 lid 3 Rv eveneens geldt

HR 24 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:791

De strekking van art. 140 Rv brengt mee dat de regeling van art. 140 lid 3 Rv overeenkomstig wordt toegepast indien in eerste aanleg van voeging of tussenkomst sprake is geweest. Deze uitleg strookt met de toepasselijkverklaring (in art. 140 lid 4 Rv) van dit voorschrift in het geval dat op de voet van art. 118 Rv een derde als partij in het geding is opgeroepen. Lees meer…

Reikwijdte bewijsvermoeden artikel 1:141 lid 3 BW

Reikwijdte bewijsvermoeden artikel 1:141 lid 3 BW

HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:637

Het bewijsvermoeden van artikel 1:141 lid 3 BW ziet uitsluitend op de vraag of het aanwezige vermogen al dan niet gefinancierd is uit hetgeen verrekend had moeten worden. Voor de vaststelling van de omvang van het te verrekenen vermogen op de peildatum gelden de gewone regels van stelplicht en bewijslast. Beschrijving van het te verrekenen vermogen hangende procedure terzake afwikkeling niet-uitgevoerd verrekenbeding. Miskenning devolutieve werking appel. Lees meer…

Burgerlijke rechter enkel gebonden aan oordeel bestuursrechter over rechtmatigheid besluit en niet aan inhoudelijke overwegingen

Burgerlijke rechter enkel gebonden aan oordeel bestuursrechter over rechtmatigheid besluit en niet aan inhoudelijke overwegingen

HR 17 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:738

Indien de bestuursrechter uitspraak heeft gedaan over een besluit waarvan beroep bij hem openstaat, is de burgerlijke rechter gebonden aan het oordeel van de bestuursrechter over de rechtmatigheid van dat besluit. De burgerlijke rechter is bij de beoordeling van een geschilpunt dat niet de geldigheid van het besluit betreft niet gebonden aan de inhoudelijke overwegingen die ten grondslag liggen aan het oordeel van de bestuursrechter over dat besluit. Lees meer…

Schadevergoeding voor ‘te vroege’ onteigening

Schadevergoeding voor ‘te vroege’ onteigening

HR 17 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:757 (X/Eindhoven)

Wanneer niet of niet tijdig een aanvang wordt gemaakt met het werk waarvoor eerder is onteigend, kan de onteigende aanspraak maken op teruglevering of een aanvullende schadeloosstelling. In dit geval had het hof teruglevering afgewezen en de schadeloosstelling op nihil begroot. De Hoge Raad laat dit oordeel in stand. De Hoge Raad beslist dat bij de begroting van de billijke schadeloosstelling alle omstandigheden van het geval in acht moeten worden genomen. De hoogte moet worden gerelateerd aan het onnodige of ontijdige van de onteigening. Bij de begroting valt mede te letten op de vermogenspositie waarin de onteigende zou hebben verkeerd als de onteigening niet of niet voortijdig zou hebben plaatsgevonden. Ook moet rekening worden gehouden met het aspect dat de billijke schadeloosstelling is bedoeld als een prikkel om niet tot een onnodige of ontijdige onteigening over te gaan. Een punitief karakter draagt de billijke schadeloosstelling echter niet. Lees meer…

Archief

Cassatieblog.nl