Ongeoorloofde ongelijke behandeling van niet-Nederlanders bij toepassing Nederlandse huwelijksgoederenregime?

Ongeoorloofde ongelijke behandeling van niet-Nederlanders bij toepassing Nederlandse huwelijksgoederenregime?

HR 21 december 2018 ECLI:NL:HR:2018:2379

In het geval een verschil zich voordoet tussen Nederlandse en niet-Nederlandse erflaters wat betreft hun bekendheid met en toegang tot een regel van Nederlands huwelijksvermogensrecht, bijvoorbeeld bij de uitsluitingsclausule uit art. 1:94 lid 2 onder a (oud) BW, dan kan een beroep worden gedaan op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. De enkele omstandigheid dat het op de erfrechtelijke verkrijging toepasselijke buitenlandse recht niet een algehele gemeenschap van goederen als huwelijksvermogensregime kent of tot uitgangspunt neemt, volstaat in dat verband niet. Lees meer…

Enkele procedurele vereisten bij het uitspreken van de vervroegde onteigening

Enkele procedurele vereisten bij het uitspreken van de vervroegde onteigening

HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2380 (Eigenaren/gemeente Pijnacker-Nootdorp)

(i) Met de invoering van de vervroegde onteigening en de vervroegde plaatsopneming is door de wetgever tijdswinst beoogd. Dat doel kan ook worden gediend als beide procedures kort na elkaar aanhangig worden gemaakt, en het staat de onteigenende partij dan ook vrij dit te doen. (ii) Als de rechtbank de vervroegde onteigening uitspreekt, moet zij daarbij ook (in het dictum) de onteigenende overheid veroordelen om bijkomende voorzieningen (zoals een aanbod tot voortgezet gebruik) gestand te doen. Lees meer…

Uitleg bedrijfstakregelingen in de Metaal en Techniek

Uitleg bedrijfstakregelingen in de Metaal en Techniek

HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2363

De bedrijfstakregelingen in de Metaal en Techniek zijn van toepassing als, naar overeengekomen arbeidsuren gemeten, bij een werkgever méér werknemers betrokken zijn bij de in de werkingssfeerbepalingen bedoelde werkzaamheden dan bij werkzaamheden die gerekend moeten worden tot een andere bedrijfstak. Hierbij geldt dat onder de woorden (werknemers die) “betrokken zijn bij” (de in de deze regelingen omschreven werkzaamheden) dient te worden verstaan dat de desbetreffende werknemers zich bezighouden met die werkzaamheden dan wel werkzaamheden verrichten die daaraan dienstbaar zijn. Lees meer…

Prejudiciële vragen over Brussel I-bis bij beroep op immuniteit van executie door internationale organisatie

Prejudiciële vragen over Brussel I-bis bij beroep op immuniteit van executie door internationale organisatie

HR 21 december 2018 ECLI:NL:HR:2018:2361

De Hoge Raad stelt aan het HvJEU prejudiciële vragen over de uitleg van art. 1 lid 1 en art. 24 lid 5 Brussel I-bis in het kader van een vordering die ziet op de opheffing door de Nederlandse rechter van een conservatoir derdenbeslag op een escrow-rekening in België. SHAPE, een in België gevestigd militair hoofdkwartier van de NAVO en de partij ten laste van wie het beslag is gelegd, heeft een beroep gedaan op immuniteit van executie en de vragen zien onder meer op de relevantie daarvan.

Lees meer…

Verzoekschrift kwalificeert als ingebrekestelling ex art. 6:82 lid 2 BW (Sint Maarten)

Verzoekschrift kwalificeert als ingebrekestelling ex art. 6:82 lid 2 BW (Sint Maarten)

HR 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2301

Indien een schuldenaar tijdelijk niet kan nakomen of uit zijn houding blijkt dat een aanmaning nutteloos zou zijn, kan op grond van art. 6:82 lid 2 BW (Sint Maarten) (gelijkluidend aan het Nederlandse art. 6:82 lid 2 BW) een ingebrekestelling plaatsvinden door een schriftelijke mededeling dat hij voor het uitblijven van de nakoming aansprakelijk wordt gesteld. Het oordeel van het hof dat het inleidende verzoekschrift in deze zaak voldoet aan de voorwaarden van een ingebrekestelling getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Lees meer…

Raadsheren Hoge Raad die de zaak niet behandelen mogen wel deelnemen aan beraadslagingen

Raadsheren Hoge Raad die de zaak niet behandelen mogen wel deelnemen aan beraadslagingen

HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2397 

De Wrakingskamer van de Hoge Raad heeft het wrakingsverzoek tegen de hele strafkamer van de Hoge Raad ongegrond verklaard. Het wrakingsverzoek was gericht tegen de werkwijze van de Hoge Raad, waarin drie of vijf raadsheren een zaak beslissen, terwijl de overige leden van een kamer (reservisten) kunnen deelnemen aan de beraadslaging over die zaak.  Lees meer…

Kortere weg naar perceel is een redelijk belang bij uitoefening erfdienstbaarheid

Kortere weg naar perceel is een redelijk belang bij uitoefening erfdienstbaarheid

HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2373

De eigenaar van het heersende erf kan een redelijk belang hebben bij de uitoefening van een erfdienstbaarheid van weg als hij daardoor een kortere afstand tot zijn perceel behoeft af te leggen dan hij anders zou moeten afleggen. Dat geldt ook als de omweg die hij zonder de erfdienstbaarheid zou moeten maken, kort is en in korte tijd kan worden afgelegd. Lees meer…

Om tegenbewijs te mogen leveren hoeft een partij niet eerst het voorshands geleverde bewijs te ontkrachten

Om tegenbewijs te mogen leveren hoeft een partij niet eerst het voorshands geleverde bewijs te ontkrachten

HR 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2320

Aan een algemeen aanbod om tegenbewijs te leveren door middel van getuigen mag de rechter niet ongemotiveerd voorbij gaan. Wanneer de rechter voorshands, behoudens tegenbewijs, bepaalde feiten als vaststaand aanneemt, hoeft een partij dit voorshands geleverde bewijs niet eerst te ontkrachten om tot tegenbewijs te worden toegelaten. Lees meer…

Wanneer is zaak bestanddeel van een zaak?

Wanneer is zaak bestanddeel van een zaak?

HR 7 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2256

Op de voet van het bepaalde in art. 3:4 lid 1 BW is hetgeen volgens verkeersopvatting onderdeel uitmaakt van een zaak, bestanddeel van die zaak. Een aard- of nagelvaste verbinding is daarvoor niet vereist. Een aanwijzing dat een zaak volgens verkeersopvatting als onderdeel van een hoofdzaak heeft te gelden, kan gelegen zijn in de omstandigheid dat de twee zaken in constructief opzicht specifiek op elkaar zijn afgestemd, of in de omstandigheid dat de hoofdzaak, indien het bestanddeel zou ontbreken, als onvoltooid moet worden beschouwd in de zin dat de hoofdzaak dan niet geschikt is te beantwoorden aan haar bestemming. Het hof heeft de hierboven weergegeven maatstaf toegepast, zijn oordeel is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd. Lees meer…

Archief

Cassatieblog.nl