Selecteer een pagina

HR 16 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7494 (X c.s./Eurohave)

De omvang van de rechtsstrijd in appel wordt niet alleen bepaald door de appeldagvaarding, maar mede door de daarna aangevoerde grieven. De appellant mag dus in beginsel bij memorie van grieven nog grieven richten tegen (onderdelen van) een uitspraak waarvan in de appeldagvaarding geen vernietiging is gevorderd. Art. 130 Rv, dat ziet op een vermeerdering van de oorspronkelijke eis, is in dat geval niet van toepassing.

In deze zaak heeft Eurohave in eerste aanleg een aantal vorderingen ingesteld tegen X c.s., die hierop hebben gereageerd met enkele vorderingen in reconventie. De rechtbank heeft in haar eindvonnis het grootste deel van de vorderingen van Eurohave in conventie toegewezen. In reconventie is ook een deel van de vorderingen van X c.s. toegewezen.

X c.s. stellen tegen het eindvonnis van de rechtbank hoger beroep in. In de appeldagvaarding vorderen zij “verbetering en aanvulling” van dat (eind)vonnis. Dat wat X c.s. in het petitum van de appeldagvaarding als verbeteringen en aanvullingen formuleren, heeft alléén betrekking op hun vorderingen in reconventie. Eurohave verschijnt niet op de appeldagvaarding, zodat de zaak in hoger beroep verder gaat als verstekprocedure. Bij memorie van grieven richten X c.s. vervolgens niet alleen grieven tegen de beslissingen van de rechtbank over de vorderingen in reconventie, maar ook tegen enkele beslissingen in conventie. In het petitum van die memorie van grieven wordt, naast de al eerder genoemde bekrachtiging en aanvulling van het vonnis in reconventie, ook de vernietiging van het vonnis in conventie gevorderd.

Het hof, waarschijnlijk enigszins op het verkeerde been gezet door X c.s. die hun memorie van grieven tevens hebben aangeduid als “akte vermeerdering van eis”, geeft vervolgens toepassing aan art. 130 lid 3 Rv. Hierin is bepaald dat tegen een partij die niet in het geding is verschenen, een verandering of vermeerdering van eis alleen is toegestaan wanneer die tijdig bij exploot aan de betrokken partij kenbaar wordt gemaakt. Zoals in de conclusie van A-G Wesseling-van Gent wordt uiteengezet, is de achtergrond van deze bepaling gelegen in het beginsel van hoor en wederhoor: een niet verschenen partij behoort niet te worden veroordeeld tot iets waarvan hij niet weet dat en op welke gronden het is gevorderd.

In cassatie is onder meer de vraag aan de orde of art. 130 Rv ook van toepassing is op een uitbreiding van de eis in hoger beroep (zoals in dit geval aan de orde is). De Hoge Raad begint zijn beantwoording van deze vraag met een herhaling van zijn vaste rechtspraak dat de omvang van de rechtsstrijd in appel niet alleen, en ook niet definitief, wordt bepaald door de appeldagvaarding, maar mede door de memorie van grieven. Omdat de appeldagvaarding volgens art. 343 Rv nog niet “de middelen waarop het beroep steunt” – de grieven dus – hoeft te bevatten, hoeft de appellant in die dagvaarding het hoger beroep nog niet scherp te omlijnen. Om deze reden diende het hof volgens de Hoge Raad in deze zaak ook de grieven die bij memorie van grieven waren aangevoerd tegen de beslissingen in conventie, in zijn beoordeling te betrekken.

Art. 130 lid 3 Rv maakt dat volgens de Hoge Raad niet anders. Deze bepaling heeft namelijk betrekking op de verandering of vermeerdering van (de grondslag van) de oorspronkelijke eis, en niet op uitbreidingen van de eis tot vernietiging van het vonnis waarvan hoger beroep is ingesteld. De Hoge Raad ziet ook geen aanleiding om art. 130 lid 3 Rv in die situatie naar analogie toe te passen:

“Zoals is overwogen in de hiervoor genoemde arresten van 27 april 1990, dient de wederpartij van de appellant in beginsel ervan uit te gaan dat de omlijning van het hoger beroep eerst bij de memorie van grieven haar definitieve vorm zal krijgen en dat de appellant in beginsel vrij is bij die memorie tegen elk onderdeel van het vonnis grieven te richten. Art. 130 lid 3 Rv. beschermt de niet verschenen geïntimeerde/oorspronkelijke gedaagde alleen tegen de verandering en vermeerdering van de vordering van de appellant/oorspronkelijke eiser omdat de gedaagde niet onkundig behoort te zijn van hetgeen waartoe hij jegens de eiser kan worden veroordeeld. Slechts voorzover de grieven een niet uit de appeldagvaarding kenbare verandering of vermeerdering van de vordering inhouden dienen zij op de voet van art. 353 lid 1 in verbinding met art. 130 lid 3 Rv. aan de niet verschenen geïntimeerde te worden betekend (…)”

Het argument dat de Hoge Raad hier hanteert is dus met name dat, juist omdát de rechtspraak van de Hoge Raad de appellant toestaat om bij memorie van grieven zijn vordering tot vernietiging van het bestreden vonnis nog uit te breiden, de niet verschenen geïntimeerde op dit laatste bedacht moet zijn. Op zichzelf is dat waar, maar geldt dat niet ook voor een wijziging van de oorspronkelijke eis? Art. 130 Rv staat zo’n wijziging immers ook tot (in beginsel) de einduitspraak toe. De niet verschenen (oorspronkelijk) gedaagde kan daar dus eveneens bedacht op zijn. Toch eist art. 130 lid 3 Rv in dat geval wél dat een eiswijziging aan de niet verschenen gedaagde wordt betekend. Misschien moet het verschil tussen beide situaties hierin worden gezocht, dat de mogelijkheid voor appellant om zijn vordering tot vernietiging van het bestreden vonnis bij memorie van grieven nog uit te breiden in die zin beperkt is, dat die uitbreiding alleen kan zien op (onderdelen van) een vonnis van de rechtbank die in de appeldagvaarding nog niet waren bestreden. De niet verschenen geïntimeerde (ervan uitgaand dat deze partij in eerste aanleg wel was verschenen) kent het vonnis of de vonnissen van de rechtbank ook. Hij zal in zoverre dus wel kunnen inschatten wat de appellant daartegen in hoger beroep zo’n beetje  zal aanvoeren. Bij een wijziging van de oorspronkelijke eis is dat veel minder het geval. Voor alle duidelijkheid: als de uitbreiding van de vordering tot vernietiging van het bestreden vonnis bij memorie van grieven tevens neerkomt op een verandering of vermeerdering van de oorspronkelijke eis, dan is art. 130 lid 3 Rv wél van toepassing (zoals de Hoge Raad ook opmerkt). Die situatie deed zich in deze zaak echter niet voor. X c.s. waren namelijk in eerste aanleg (in conventie) geen eisers, maar gedaagden.

X c.s. zijn in cassatie bijgestaan door Martijn Scheltema.

Share This