HR 31 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:214 (New India/Verweerder)

De werking van de positieve zijde van de devolutieve werking van het hoger beroep is in het procesrecht van Aruba, Curaçao, Sint Maarten, en Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Caribische procesrecht) niet wezenlijk anders dan in Nederland.

Inleidende opmerkingen

In deze zaak is in feitelijke instanties aan de orde of een automobilist jegens de eigenaar van de motorfiets aansprakelijk is op grond van een onrechtmatige daad. In cassatie draait het echter in het bijzonder om een procesrechtelijk leerstuk: de positieve zijde van de devolutieve werking. Dit leerstuk, dat soms hoofdbrekens kan bezorgen, houdt – naar de kern genomen – in dat een hof, als een grief van appellant daartoe aanleiding geeft, gehouden is om ambtshalve alle verweren te behandelen die de geïntimeerde als gedaagde in eerste aanleg had aangevoerd over het onderwerp van de grief. Of die verweren in eerste aanleg nu zijn verworpen of buiten behandeling zijn gelaten.

Volledigheidshalve merk ik bij het voorgaande op dat het grievenstelsel zoals wij dat in Nederland kennen, niet geldt in het Caribisch procesrecht (de verplichting om grieven aan te voeren ontbreekt bijvoorbeeld; zie CB 2014-29), maar de werking van de positieve zijde van devolutieve werking van het hoger beroep is – zoals ook in deze uitspraak door de Hoge Raad wordt bevestigd – niet wezenlijk anders dan in Nederland. Volgens de Hoge Raad is het hof in deze zaak op twee punten voorbijgegaan aan die positieve zijde van de devolutieve werking.

Feiten en procesverloop

In 2006 heeft zich op Aruba een aanrijding voorgedaan tussen een bestuurde motorfiets en een bestuurde auto. De automobilist zou het ongeval hebben veroorzaakt als gevolg van onzorgvuldig rijden. Als gevolg van de aanrijding is schade ontstaan aan de motorfiets. De eigenaar van de motorfiets (de vader van de bestuurder) heeft de door hem aan de motorfiets geleden schade vervolgens gevorderd van de verzekeraar van de automobilist. De automobilist is eveneens partij in deze procedure.

Partijen verschillen in feitelijke instanties aanzienlijk van mening over de hoogte van de schade. De eigenaar van de motorfiets heeft gesteld dat het zou gaan om een bedrag van Afl. 25.576, maar volgens een schaderapport (opgesteld in opdracht van de verzekeraar) zou de schade aanzienlijk lager zijn. De motorfiets zou slechts een dagwaarde (‘pre-accident value’) vertegenwoordigen van Afl. 7.250 en een wrakwaarde (‘wreck value’) van Afl. 1.500. Het totale schadebedrag (‘total damage amount’) zou op basis van gegevens in dit rapport Afl. 5.750 bedragen. Laatstgenoemd bedrag heeft de verzekeraar – om een procedure te voorkomen – al onverplicht aan de eigenaar van de motorfiets voldaan.

Het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba heeft de vorderingen van de eigenaar van de motorfiets in het eindvonnis afgewezen. Deze is van dit vonnis in hoger beroep gekomen. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curacao en Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: hof) heeft vervolgens overwogen dat de omvang van de schade Afl. 7.250 (de dagwaarde van de motorfiets) bedraagt. De automobilist en de verzekeraar zijn veroordeeld tot betaling van die dagwaarde, verminderd met het reeds door de verzekeraar betaalde bedrag van Afl. 5.750, dus per saldo van Afl. 1.500.

De automobilist en de verzekeraar konden zich in het oordeel in hoger beroep niet vinden en hebben cassatieberoep ingesteld.

Cassatie

De eerste klacht houdt – kort samengevat – in dat het hof eraan voorbijgegaan is dat de verzekeraar en de automobilist in eerste aanleg (uitdrukkelijk) gesteld hebben dat bij de vaststelling van de schade de wrakwaarde van de motorfiets in mindering dient te worden gebracht op de dagwaarde. Indien dat zou zijn gebeurd, had het hof tot de slotsom moeten komen dat de eigenaar van de motorfiets geen aanvullende vordering toekwam (het in bezit van de eigenaar gebleven wrak had een waarde had van Afl. 1.500 zodat het schadebedrag Afl. 7.250 -/- Afl. 1.500 = Afl. 5.750 bedroeg en laatstgenoemd bedrag was reeds volledig (onverplicht) door de verzekeraar aan de eigenaar van de motorfiets voldaan). Deze klacht slaagt. De Hoge Raad oordeelt dat het hof op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep ertoe gehouden was om, bij gegrondbevinding van een of meer grieven van de eigenaar van de motorfiets, alsnog het door de verzekeraar in eerste aanleg gevoerde verweer met betrekking tot bestaan en omvang van de door de eigenaar van de motorfiets gevorderde schade te onderzoeken.

Ook de tweede klacht slaagt. Die klacht houdt in dat het hof niet, dan wel onvoldoende kenbaar, is ingegaan op het verweer van de automobilist en de verzekeraar dat bij de vaststelling van de hoogte van de schade rekening dient te worden gehouden met de eigen schuld aan de kant van de bestuurder van de motorfiets (art. 6:101 BW NA, vlg. art. 6:101 BW (NL)).

In het verzoekschrift tot cassatie is uiteengezet dat het hof – onder andere – niet is ingegaan op de volgende essentiële stellingen: (i) de bestuurder was ten tijde van het ongeval niet in het bezit van een motorrijbewijs; (ii) de bestuurder was jong en onervaren op het moment van het ongeval (hij was 20 jaar oud en had pas 2 jaar zijn autorijbewijs); (iii) de bediening van een motor is geheel anders dan die van een auto en het is niet voor niets is dat er een afzonderlijk rijbewijs vereist is; (iv) niet is gebleken dat de bestuurder ervaring had met het besturen van de motor.

Het hof was er volgens de Hoge Raad op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep toe gehouden om, bij gegrondbevinding van een of meer grieven van de eigenaar van de motorfiets, alsnog het beroep op eigen schuld te onderzoeken. Het was de Hoge Raad noch uit het tussenvonnis noch uit het eindvonnis gebleken dat het hof dit onderzoek had verricht.

De verzekeraar en de automobilist zijn in cassatie bijgestaan door Hans van Wijk en de auteur. De verzekeraar is in feitelijke instanties bijgestaan door Eline Lotter Homan.

Share This