HR 13 juli 2012, LJN BW4008 (X c.s./Ontvanger van de Belastingdienst Rivierenland)

Op een incidentele vordering wordt eerst en vooraf beslist indien dit uit een bijzondere wettelijke regel volgt of “indien de zaak dat medebrengt” (art. 209 Rv). Bij de toepassing van deze maatstaf dient de rechter na te gaan of een voorafgaande behandeling en beslissing redelijkerwijs geboden zijn en niet leiden tot een onredelijke vertraging van het geding. In dit geval, waarin een incidentele vordering is ingesteld tot oproeping van de geëxecuteerde in een verklaringsprocedure, brengt de aard van deze incidentele vordering niet mee dat daarop voorafgaand moet worden beslist, nu voor de oproeping van de geëxecuteerde geen verlof van de rechter nodig is.

De achtergrond van deze zaak is gelegen in dwangbevelen die de Ontvanger heeft uitgevaardigd tegen de vennootschap Masterflex. Uit kracht van deze dwangbevelen heeft de Ontvanger executoriaal derdenbeslag gelegd onder eisers tot cassatie (X c.s.). X c.s. hebben verklaard niets aan Masterflex verschuldigd te zijn. De Ontvanger heeft vervolgens in een verklaringsprocedure op de voet van art. 477a Rv deze verklaring betwist. De rechtbank heeft het standpunt van de Ontvanger gevolgd en diens vorderingen toegewezen.

Het hoger beroep van X c.s. strandt vervolgens op een procesrechtelijk ongeluk. De Ontvanger had X c.s. namelijk (op de voet van art. 2.14 van het Landelijk Procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven) peremptoir gesteld voor het nemen van de memorie van grieven op de rolzitting van 27 juli 2010, met aanzegging van akte niet-dienen. Op deze datum nemen X c.s. echter een “memorie tot incidentele vordering tot oproeping geëxecuteerde”, waarin zij vorderen om Masterflex tegen een door het hof te bepalen roldatum in het geding te roepen. Op verzoek van de Ontvanger verleent de rolraadsheer akte van niet-dienen van grieven tegen X c.s., waarmee het hoger beroep eindigt in een niet-ontvankelijkverklaring.

De cassatieklacht van X c.s. dat het hof “eerst en vooraf” op de incidentele vordering van X c.s. had moeten beslist en dat tot die tijd de behandeling van de hoofdzaak (en daarmee de verplichting om van grieven te dienen) zou zijn geschorst, wordt door de Hoge Raad verworpen. De Hoge Raad herhaalt zijn eerdere overweging uit het arrest van 2 maart 2012, LJN BU8176 (hier besproken op Cassatieblog) over de vraag wanneer de rechter voorafgaand aan de behandeling van de hoofdzaak op een incidentele vordering moet beslissen:

“Indien een bijzondere wettelijke regel op grond waarvan een incidentele vordering eerst en vooraf dient te worden behandeld en beslist, ontbreekt, zoals bij de hier aan de orde zijnde, niet in de wet geregelde incidentele vordering, geldt de maatstaf van art. 209 eerste zin Rv., die inhoudt dat de vordering eerst en vooraf wordt behandeld en beslist “indien de zaak dat medebrengt”. Bij de toepassing van deze maatstaf dient de rechter, aan de hand van de aard en inhoud van de vordering, de belangen van partijen en het belang van een doelmatige procesvoering, na te gaan of een voorafgaande behandeling en beslissing redelijkerwijs geboden zijn en niet leiden tot een onredelijke vertraging van het geding”

Dat het hof heeft geoordeeld dat de incidentele vordering van X c.s. niet meebracht dat daarop eerst en vooraf moest worden beslist, is volgens de Hoge Raad niet onjuist of onbegrijpelijk. Die vordering strekte immers ertoe dat het hof zou toestaan dat Masterflex tegen een nader te bepalen datum zou worden opgeroepen als partij in de verklaringsprocedure. Uit het slot van art. 477b lid 3 Rv – waar wordt gesproken van het in het geding roepen van de geëxecuteerde – volgt namelijk volgens de Hoge Raad dat de derde-beslagene zonder meer bevoegd is de geëxecuteerde op te roepen als partij in de verklaringsprocedure (en wel op de wijze zoals geregeld in art. 118 Rv). Daarvoor is dus geen toestemming van de rechter vereist. De incidentele vordering van X c.s. was dus in feite overbodig, en bracht in elk geval niet mee dat het hof daarop voorafgaand diende te beslissen.

X c.s. hebben daarnaast in cassatie nog aangevoerd dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat zij in hoger beroep geen grieven hebben aangevoerd, omdat het hof hiermee voorbij zou zijn gegaan aan de grieven die in de incidentele memorie zijn aangevoerd. Ook deze klacht wordt door de Hoge Raad verworpen, omdat de rolraadsheer de strekking van die incidentele memorie kennelijk (en niet onbegrijpelijk) anders heeft opgevat dan X c.s. in cassatie betogen:

“De strekking van dat processtuk is echter kennelijk, en begrijpelijk, door de rolraadsheer en het hof anders opgevat. De kritiek op de beslissing van de rechtbank in de in het onderdeel geciteerde passages uit de bedoelde memorie behoefde de rolraadsheer en het hof niet te brengen tot een uitleg van de memorie in die zin dat [eiseres] c.s. daarin niet slechts hun incidentele vordering om Masterflex in het geding te mogen roepen onderbouwden, maar ook alvast in de hoofdzaak hun appelgrieven aanvoerden.”

Deze zaak onderstreept, evenals het arrest van 2 maart 2012, nog maar eens dat niet zomaar valt te ontkomen aan het indienen van de memorie van grieven door een incidentele vordering in te stellen. Een dergelijke strategie is behoorlijk riskant, met name als men peremptoir is gesteld en een incidentele vordering wordt ingesteld waarvan niet uit de wet volgt dat de rechter daarop voorafgaand moet beslissen.

De Ontvanger is in cassatie bijgestaan door Hans van Wijk en Nicoline Bergman.

Share This