HR 2 maart 2012, LJN BU8176 (X/Royal Bank of Scotland)

Een partij die een proceshandeling in de hoofdzaak dient te verrichten, maar in plaats daarvan een incidentele vordering instelt ten aanzien waarvan de wet niet bepaalt dat daarover eerst en vooraf moet worden beslist, loopt het risico dat de rechter oordeelt dat voor dat laatste onvoldoende reden is en dat de betrokken proceshandeling in de hoofdzaak ten onrechte niet is verricht. Het hof heeft in dit geval kunnen oordelen dat het instellen van een incidentele vordering tot schorsing van de zaak in afwachting van de uitkomst van een andere procedure, niet meebracht dat appellant nog een verder uitstel zou krijgen voor zijn memorie van grieven.

Het komt in de praktijk nog wel eens voor dat een partij wel hoger beroep instelt tegen een onwelgevallig vonnis van de rechtbank, maar daarna weinig haast maakt met het voortzetten van de procedure in appel. Het Landelijk procesreglement voor dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (Lpr) dwingt tot het maken van haast ook niet: in principe kent dit reglement nog een systeem waarbij de termijnen voor proceshandelingen alleen ‘hard’ zijn als de wederpartij peremptoir stelt en akte niet-dienen aanzegt. Gebeurt dat niet, en wordt de proceshandeling waar de zaak voor staat ook niet verricht, dan komt de zaak uiteindelijk terecht op de ’53-weken-rol’ (art. 2.11 Lpr). Wanneer ook deze termijn ongebruikt verstrijkt, kan de wederpartij verval van instantie (art. 251 Rv) vragen. Dat moet overigens wel twee weken van tevoren worden aangekondigd, zodat de partij die in de procedure ‘aan zet’ is, alsnog de proceshandeling waarvoor zij stond kan verrichten (en zo het verval van instantie kan voorkomen). Als na het verstrijken van een jaar geen verval van instantie wordt gevorderd maar ook geen proceshandeling wordt verricht, kan de rechter de zaak ook ambtshalve op de rol doorhalen. Dit laatste heeft overigens op zichzelf geen rechtsgevolg: de zaak kan na een ambtshalve doorhaling in beginsel gewoon weer op de rol worden geplaatst voor voortzetting van de procedure.

In deze zaak had eiser tot cassatie X hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de rechtbank uit maart 2006, waarin hij was veroordeeld om een bedrag van ruim € 35 miljoen aan ABN AMRO (inmiddels opgevolgd door de Royal Bank of Scotland) te betalen. X bracht een appeldagvaarding uit tegen november 2006, maar daarna bleef het stil. In april 2008 schrapte het hof de zaak ambtshalve van de rol. In januari 2010 bracht de bank een exploot uit, waarbij zij de zaak weer op de rol van het hof liet plaatsen om verval van instantie te kunnen vorderen. X kreeg vervolgens nog een laatste uitstel van zes weken voor zijn memorie van grieven tot 27 april 2010. Op deze rolzitting nam X opnieuw geen memorie van grieven, maar wierp hij een incident op tot schorsing van de procedure, totdat in een andere (samenhangende) procedure bij het hof eindarrest zou zijn gewezen. De rolraadsheer van het hof heeft deze incidentele vordering aangemerkt als een nieuw verzoek om uitstel, waarvoor geen grond bestond. Vervolgens heeft het hof het verval van instantie uitgesproken, daarbij overwegend dat X geen gebruik heeft gemaakt van de geboden mogelijkheid om de memorie van grieven alsnog uiterlijk op 27 april 2010 te nemen, en dat geen reden bestaat voor verdere vertraging van het geding (art. 251 lid 4 Rv).

In cassatie betoogt X dat hij, in plaats van de memorie van grieven te nemen, een incidentele vordering mocht instellen waarop het hof eerst had moeten beslissen, en dat hij na eventuele afwijzing van die incidentele vordering nog een uitstel voor de memorie van grieven had moeten krijgen. Met dit betoog maakt de Hoge Raad in duidelijke bewoordingen korte metten.

Op zichzelf is het mogelijk, aldus de Hoge Raad, dat een partij die de zaak wil laten aanhouden om de beslissing in een andere zaak te kunnen afwachten, daartoe een incidentele vordering (als bedoeld in art. 208 Rv) instelt, in plaats van zo’n verzoek via een simpele brief aan de rolrechter te doen. Voor het instellen van zo’n incidentele vordering kan aanleiding bestaan als het verzoek zich minder goed leent voor beoordeling door de rolrechter. Er bestaat in dat geval echter niet zonder meer aanspraak op een voorafgaande beoordeling van de incidentele vordering. Beslissend hiervoor is de maatstaf van art. 209 Rv: een incidentele vordering wordt door de rechter “eerst en vooraf” beslist “indien de zaak dat medebrengt”. Of dit laatste het geval is hangt af van de aard en inhoud van de vordering, de belangen van partijen en het belang van een doelmatige procesvoering (het voorkomen van onredelijke vertraging).

De conclusie die de Hoge Raad hieruit trekt, is een belangrijke les voor advocaten:

“Uit het vorenstaande volgt (…) dat een partij die een proceshandeling in de hoofdzaak dient te verrichten, maar in plaats daarvan een incidentele vordering instelt ten aanzien waarvan de wet niet bepaalt dat daarover eerst en vooraf moet worden beslist, het risico loopt dat de rechter oordeelt dat voor dat laatste onvoldoende reden is. In dat geval is de betrokken proceshandeling in de hoofdzaak dus ten onrechte niet verricht.”

Wie tracht door het instellen van een incidentele vordering nog een extra uitstel voor zijn “eigenlijke” proceshandeling te verkrijgen neemt dus een behoorlijk risico. Is de rechter van oordeel dat de ingestelde incidentele vordering niet noodzaakt tot een voorafgaande behandeling, dan staat daarmee achteraf bezien vast dat de proceshandeling waarvoor de zaak eigenlijk stond, ten onrechte niet is verricht. Is die proceshandeling een memorie van grieven dan zal het appel in de meeste gevallen reddeloos verloren zijn: een appel zonder grieven leidt immers tot niet-ontvankelijkheid.

Met de aangehaalde overweging van de Hoge Raad is in deze zaak het doek voor X eigenlijk al gevallen. De Hoge Raad gaat vervolgens nog in op de motiveringsklachten die in cassatie zijn aangevoerd tegen het oordeel van het hof dat in dit geval geen aanleiding bestond voor een voorafgaande behandeling van de incidentele vordering. Volgens de Hoge Raad is dat oordeel geenszins onbegrijpelijk: X heeft feitelijk vanaf eind 2006 uitstel gehad voor zijn memorie van grieven, heeft na het aangekondigde verval van instantie nog een allerlaatste uitstel voor deze memorie gehad, en heeft toen ook weer op het allerlaatste moment zijn incidentele vordering ingesteld. Daarbij komt dan nog dat ook niet aannemelijk is gemaakt waarom de samenhang met de andere procedure X belette om in deze zaak zijn grieven te formuleren.

Share This