Selecteer een pagina

HR 25 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:298

Een conservatoir beslag wordt gevolgd door een hoofzaak waarin in eerste aanleg een veroordeling wordt gevorderd, maar in hoger beroep een verklaring voor recht. Levert het arrest een executoriale titel op? 

Achtergrond

Deze renvooiprocedure gaat over de vraag of Lisman en Lisman B.V. (hierna: Lisman) op basis van een conservatoir beslag op een onroerende zaak, gevolgd door een verklaring voor recht, mag delen in de na de executieverkoop door de hypotheekhouder resterende netto-executieopbrengst.

De onroerende zaak was in eigendom van de bestuurder van Rentec B.V. (hierna: Rentec). Rentec huurde in april 2004 een kantoorpand van Lisman. Met betaling van de huur bleef zij in gebreke. Bij vonnis van 17 januari 2007 heeft de kantonrechter daarom in een procedure tussen Lisman enerzijds en Rentec en diens bestuurder anderzijds (hierna ook: de hoofdzaak) de huurovereenkomst ontbonden verklaard. In die procedure heeft Lisman tevens gevorderd Rentec en diens bestuurder hoofdelijk te veroordelen tot betaling van achterstallige huur. De kantonrechter heeft de vordering alleen ten aanzien van Rentec toegewezen (voor een bedrag van € 260.397,82); de vordering tegen de bestuurder werd afgewezen.

Met die afwijzing kon Lisman zich kennelijk niet verenigen. Bij appelexploot van 16 april 2007 heeft zij hoger beroep ingesteld, waarin zij alleen de bestuurder van Rentec heeft betrokken. In hoger beroep heeft zij gevraagd om de bestuurder hoofdelijk aansprakelijk te verklaren voor al hetgeen waartoe Rentec in eerste aanleg is veroordeeld. Met succes: bij arrest van 22 december 2009 (hierna: het arrest in de hoofdzaak) heeft het hof het vonnis van de kantonrechter vernietigd en de vordering tegen de bestuurder van Rentec toegewezen.

Vóór die uitspraak – begin 2008 – was de onroerende zaak van de bestuurder van Rentec met toestemming van de voorzieningenrechter verkocht. Van de opbrengst resteerde na aflossing van de hypothecaire geldlening ruim € 100.000,- en dit bedrag is bij de notaris in depot gebleven. Op dat bedrag wil Lisman zich dus verhalen. Partijen zijn het echter niet eens geworden op de verdeling van het depot. Dat heeft uiteindelijk tot deze renvooiprocedure geleid.

De renvooiprocedure

In deze renvooiprocedure vordert Lisman een verklaring voor recht dat Lisman een vordering heeft op de bestuurder van Rentec op grond van het arrest in de hoofdzaak, en toelating tot de rangregeling voor haar vordering. De rechtbank heeft Lisman toegelaten tot de rangregeling voor € 260.000,-.

Het hof heeft, voor zover in cassatie van belang, het vonnis van de rechtbank vernietigd en Lisman toegelaten tot de rangregeling voor € 98.693,30, vermeerderd met rente. Het hof heeft daartoe onder meer overwogen dat de in het appelexploot van 16 april 2007 opgenomen eis om de bestuurder van Rentec hoofdelijk aansprakelijk te verklaren voor al hetgeen waartoe Rentec in eerste aanleg is veroordeeld, een gewijzigde eis is. Naar het oordeel van het hof is deze eis minder dan de in eerste aanleg aan de orde zijnde rechtsvordering tot veroordeling (die ten aanzien van Rentec was toegewezen) en was daarmee in feite sprake van een vermindering van eis. Uit deze resterende eis in de hoofdzaak mocht de bestuurder (echter) niet concluderen dat Lisman haar eis en beslagvordering niet langer handhaafde of introk. Ook bracht dit geen verval van het conservatoir beslag mee, terwijl het beslag evenmin werd opgeheven.

Het hof heeft verder het beroep van de bestuurder op verjaring van de rechtsvordering waarvan Lisman toelating tot de rangregeling verzoekt, verworpen.

Cassatie

Tegen deze beslissingen komt de bestuurder in cassatie op. De Hoge Raad bespreekt deze tegen deze beslissingen gerichte klachten gezamenlijk. De Hoge Raad stelt voorop dat aan deze klachten de opvatting ten grondslag ligt dat:

(i) de in eerste aanleg ingestelde (en door de kantonrechter afgewezen) eis tot veroordeling van de bestuurder in hoger beroep niet is toegewezen (omdat in hoger beroep een verklaring voor recht is gevraagd);
(ii) daarom de door het instellen van die (in eerste aanleg ingestelde) eis (tot veroordeling) gestuite verjaring van de rechtsvordering, bij gebreke van het instellen van een nieuwe eis, op 22 september 2010 is verjaard;
(iii) het arrest in de hoofdzaak voor de vordering van Lisman op de bestuurder geen executoriale titel oplevert, nu het arrest geen veroordeling tot betaling van die vordering inhoudt.

Deze opvattingen acht de Hoge Raad echter onjuist. De Hoge Raad zet daartoe eerst het juridisch kader uiteen:

“Wanneer conservatoir beslag is gelegd voor een vordering, wordt een executoriale titel verkregen doordat de beslagdebiteur wordt veroordeeld tot voldoening van die vordering. Niet uitgesloten is echter dat de beslaglegger volstaat met een eis in de hoofdzaak die strekt tot vaststelling van de gegrondheid en de omvang van zijn vorderingsrecht. Bij toewijzing van de eis levert de uitspraak voor het daarin vastgestelde vorderingsrecht dan een executoriale titel op, als met die vaststelling duidelijk is dat de beslaglegger daadwerkelijk aanspraak kan maken op betaling. De vereiste duidelijkheid kan erin bestaan dat in de uitspraak wordt vastgesteld dat de beslagdebiteur hoofdelijk aansprakelijk is voor hetgeen waartoe een andere partij al eerder werd veroordeeld.”

De Hoge Raad vervolgt dat het hof onbestreden heeft vastgesteld dat de bestuurder uit de resterende eis in de hoofdzaak in redelijkheid niet mocht concluderen dat Lisman haar eis en beslagvordering niet langer handhaafde of introk. De Hoge Raad leest deze overweging aldus dat het de bestuurder duidelijk moet zijn geweest dat de eis van Lisman strekte tot vaststelling dat Lisman daadwerkelijk aanspraak kan maken op betaling van de vordering waarvan hij ten laste van de bestuurder beslag had gelegd. In het licht van het geschetste juridische kader brengt dit volgens de Hoge Raad mee dat het arrest in de hoofdzaak een executoriale titel oplevert voor de vordering waarvoor Lisman ten laste van de bestuurder beslag heeft gelegd. Die vordering heeft, zo concludeert de Hoge Raad, haar afdwingbaarheid nog niet verloren, gelet op de verjaringstermijn voor de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van rechterlijke uitspraken (art. 3:324 lid 1 BW).

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep. Deze afdoening is in lijn met de conclusie van A-G Rank-Berenschot vóór deze uitspraak.

Share This