HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:768 (Fiar Consumer Electronics c.s./Stichting De Thuiskopie c.s. en de Staat c.s.)

Een partij heeft voldoende belang bij een incidentele vordering tot voeging of tussenkomst (art. 217 Rv) als zij nadelige gevolgen kan ondervinden van de uitspraak in het geding waarin zij zich wil voegen of wil tussenkomen. Aan de toewijsbaarheid van een vordering tot voeging of tussenkomst die aan dit belangvereiste voldoet en die tijdig is ingesteld, kunnen niettemin de eisen van een goede procesorde in de weg staan. Dit is onder meer mogelijk indien toewijzing van de incidentele vordering tot onredelijke vertraging van de hoofdzaak zou leiden (art. 20 Rv).

Achtergrond

De hoofdzaak in deze procedure wordt gevoerd tussen onder meer de Stichting Thuiskopie en de Staat en betreft – heel kort samengevat – de zogeheten thuiskopievergoeding. In dit arrest van de Hoge Raad gaat het echter alleen om een incidentele vordering tot voeging, dan wel tussenkomst, die een aantal derden (hierna: “FIAR c.s.”) hebben ingesteld. FIAR c.s. hebben deze incidentele vordering ingesteld in hoger beroep, en wel op de rolzitting waarop de Staat de memorie van antwoord heeft genomen. Dit tijdstip strookt overigens met art. 218 Rv, waarin is bepaald dat een incidentele vordering tot voeging of tussenkomst wordt ingesteld bij incidentele conclusie vóór of op de roldatum waarop de laatste conclusie in het aanhangige geding is genomen.

Het hof heeft zowel de vordering tot tussenkomst als de vordering tot voeging van FIAR c.s. afgewezen. Met betrekking tot de tussenkomst vond het hof dat deze vordering reeds niet toewijsbaar was, omdat niet was gebleken dat FIAR c.s. een eigen vordering tegen de partijen in de hoofdzaak wilden instellen. Met betrekking tot de vordering tot voeging oordeelde het hof dat FIAR c.s. bij voeging wel voldoende belang (als bedoeld in art. 217 Rv) hadden om zich aan de zijde van (onder meer) de Staat te voegen. Het hof achtte echter het verweer van De Thuiskopie gegrond dat door de voeging de procedure in de hoofdzaak onredelijk zou worden vertraagd. Daarvoor bezigde het hof verschillende argumenten: (i) volgens het hof hadden FIAR c.s. al in een eerder stadium van de procedure om voeging kunnen verzoeken; (ii) voeging zou betekenen dat De Thuiskopie nog in een laat stadium van de procedure met een nieuwe tegenstander en mogelijk met nieuwe eisen zou worden geconfronteerd; en (iii) het hof achtte tot slot niet duidelijk wat de argumenten van FIAR c.s. aan de beslissing in de hoofdzaak zouden kunnen bijdragen.

Tussenkomst: instellen eigen vordering vereist?

De Hoge Raad oordeelt in zijn arrest eerst over de vraag of het hof FIAR c.s. terecht niet als tussenkomende partij heeft toegelaten. Hij stelt voorop:

“dat een partij op de voet van art. 217 Rv in een aanhangig geding kan vorderen te mogen tussenkomen indien zij een eigen vordering wenst in te stellen tegen (een van) de procederende partijen en voldoende belang heeft zich met dat doel in te mengen in het aanhangige geding in verband met de nadelige gevolgen die zij van de uitspraak in de hoofdzaak kan ondervinden (vgl. voor het geval van voeging: HR 6 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5241, NJ 2014/58, rov. 3.6.2). (…)”

Opvallend aan deze overweging is de stellige wijze waarop de Hoge Raad spreekt over het kunnen tussenkomen indien de betrokken partij een eigen vordering wenst in te stellen. Dat valt niet direct te rijmen met eerdere rechtspraak, waarin de Hoge Raad de mogelijkheid tot tussenkomst leek aan te nemen voor die gevallen waarin de tussenkomende partij voldoende belang heeft om zich in de procedure te mengen en zij daarin een zelfstandige positie geldend maakt ten opzichte van de andere partijen. Vgl. bijvoorbeeld HR 14 maart 2008, NJ 2008/168 waarin de Hoge Raad uitlegde dat voor een vordering tot tussenkomst in cassatie geen plaats is, omdat dit zou impliceren (a) het geldend maken van een zelfstandig vorderingsrecht; (b) het bestrijden van de uitspraak met eigen klachten/cassatiemiddelen op basis van een verondersteld zelfstandig vorderingsrecht; of (c) het voeren van een zelfstandig verweer tegenover beide partijen met betrekking tot de vordering in de hoofdzaak. Iets vergelijkbaars valt ook af te leiden uit HR 15 november 1996, NJ 1997/482.

Niet geheel duidelijk is of de Hoge Raad met dit arrest van zijn eerdere rechtspraak heeft willen terugkomen. Het zou natuurlijk ook zo kunnen zijn, dat de Hoge Raad het instellen van een eigen vordering door de tussenkomende partij hier heeft genoemd als één van de mogelijke situaties waarin voor tussenkomst plaats is, omdat dit nu eenmaal het type geval was dat in deze zaak aan de orde was.

De Hoge Raad acht vervolgens ’s hofs oordeel dat niet is gebleken dat FIAR c.s. in de hoofdzaak een eigen vordering zouden willen instellen, onbegrijpelijk. In de processtukken van FIAR c.s. is namelijk wel gerept van het instellen van een “voorwaardelijke vordering”. Toch kan dat FIAR c.s. niet baten: volgens de Hoge Raad hebben FIAR c.s. onvoldoende toegelicht dat de vorderingen die zij in de hoofdzaak zouden willen instellen “voldoende samenhang vertonen met het onderwerp van de hoofdzaak om tot het oordeel te kunnen leiden dat FIAR c.s. voldoende belang hebben bij tussenkomst in verband met de gevolgen die zij van de uitspraak in de hoofdzaak kunnen ondervinden.”

De overweging is wat cryptisch, maar lijkt in elk geval in te houden dat een partij die wil tussenkomen om in de hoofdzaak een eigen vordering tegen (één van) de andere partijen in te stellen, voldoende duidelijk zal moeten maken dat het hier ook gaat om een vordering die zodanig samenhangt met de hoofdzaak, dat de tussenkomende partij van de uitspraak tussen partijen in de hoofdzaak nadeel zou kunnen ondervinden. Er blijft immers gelden dat de partij die wil tussenkomen, voldoende belang bij het geschil in de hoofdzaak moet hebben. In lijn hiermee overweegt de Hoge Raad elders in zijn arrest dat “een oordeel over de gerechtvaardigdheid van de verlangde tussenkomst alleen mogelijk [is] indien duidelijk is wat de interveniënt wenst te bewerkstelligen.”

Voeging: afwijzing mogelijk wegens strijd met goede procesorde

Met betrekking tot de incidentele vordering van FIAR c.s. tot voeging geeft de Hoge Raad eerst enkele algemene overwegingen:

“Op de voet van art. 217 Rv kan ieder die een belang heeft bij een tussen andere partijen aanhangig geding, vorderen zich daarin te mogen voegen. Indien aan deze eis is voldaan en de incidentele vordering tot voeging volgens art. 218 Rv tijdig is ingesteld, is die vordering in beginsel toewijsbaar.
Aan de toewijsbaarheid kunnen niettemin de eisen van een goede procesorde in de weg staan. (…) Afwijzing van een incidentele vordering tot voeging wegens strijd met de goede procesorde is onder meer mogelijk indien toewijzing tot onredelijke vertraging van de hoofdzaak zou leiden (art. 20 Rv).”

Met name de laatste helft van deze overwegingen verdient aandacht: ook als een incidentele vordering tot voeging voldoet aan de wettelijke eisen, kan deze toch worden afgewezen wegens strijd met de goede procesorde (hetzelfde geldt voor een vordering tot tussenkomst; zie rov. 4.1.2 van het arrest). Van strijd met de goede procesorde kan onder meer sprake zijn als toewijzing van de incidentele vordering zou leiden tot onredelijke vertraging van het geding.

Hiermee onderschrijft de Hoge Raad in algemene zin het oordeel van het hof: dat had de incidentele vordering van FIAR c.s. tot voeging immers afgewezen omdat het toestaan van voeging volgens het hof zou leiden tot onredelijke vertraging van het geding. Toch casseert de Hoge Raad dit oordeel van het hof, omdat hij vindt dat de argumenten die het hof daaraan ten grondslag heeft gelegd, zijn oordeel dat sprake zou zijn van onredelijke vertraging niet kunnen dragen. Het eerste argument van het hof, dat FIAR c.s. hun incidentele vordering eerder hadden kunnen instellen, veegt de Hoge Raad van tafel:

“Als voor het instellen van een incidentele vordering een wettelijke termijn geldt en die termijn niet is overschreden, kan het oordeel dat de procedure in de hoofdzaak bij toewijzing van de incidentele vordering onredelijk wordt vertraagd, niet worden gegrond op de enkele omstandigheid dat de incidentele vordering ook eerder dan op de wettelijk laatst mogelijke dag had kunnen worden ingesteld.”

Het tweede argument – erop neerkomend dat na voeging het partijdebat moet worden vervolgd – vindt de Hoge Raad evenmin valide, omdat dit nu juist de essentie van voeging is:

“Voeging strekt ertoe dat een derde zich mengt in het processuele debat van partijen. Daarmee zal in het algemeen tijd zijn gemoeid. Een in beginsel toewijsbare vordering tot voeging kan dan ook niet – behoudens bijzondere omstandigheden waaromtrent het hof niets heeft vastgesteld – wegens strijd met de eisen van een goede procesorde worden afgewezen op de grond dat de procedure in de hoofdzaak als gevolg van de voeging wordt vertraagd.”

En het derde argument van het hof – inhoudend dat niet duidelijk is wat FIAR c.s. aan de beslechting van de hoofdzaak zouden kunnen bijdragen – verdraagt zich volgens de Hoge Raad niet met het oordeel van het hof dat FIAR c.s. wel voldoende belang hebben bij hun vordering tot voeging.

In het incidentele cassatieberoep van De Thuiskopie gaat de Hoge Raad tot slot nog in op de vraag wanneer aan de eis van “voldoende belang” bij een vordering tot voeging is voldaan. In lijn met eerdere rechtspraak overweegt hij:

“Voor het aannemen van een zodanig belang is voldoende dat de partij die voeging vordert nadelige gevolgen kan ondervinden van een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij aan wier zijde zij zich voegt (vgl. HR 14 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6692, NJ 2008/168; HR 6 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5241, NJ 2014/58).”

De Staat is in deze cassatieprocedure bijgestaan door Martijn Scheltema en Sikke Kingma en in feitelijke instanties door Eric Daalder.

Share This