HR 2 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1063

Bij gebreke van een rijksregeling dient de rechter in het Nederlandse deel van het Koninkrijk evenals de rechter in Aruba, Curaçao en Sint Maarten, zijn bevoegdheid in privaatrechtelijke zaken van interregionale aard te bepalen door zoveel mogelijk aansluiting te zoeken bij de bevoegdheidsregels die voor hem gelden op het terrein van het internationaal privaatrecht. De rechter in het Nederlandse deel van het Koninkrijk dient daarbij eerst te onderzoeken of overeenkomstige toepassing kan worden gegeven aan de in verdragen en EU-verordeningen neergelegde bevoegdheidsbepalingen. Slechts indien blijkt dat dergelijke verdragrechtelijke of Unierechtelijke bepalingen ontbreken of zich niet lenen voor overeenkomstige toepassing, dient de rechter zijn rechtsmacht te bepalen met overeenkomstige toepassing van art. 1-14 Rv.

Achtergrond

Eiseres tot cassatie (hierna: de vrouw) is de moeder van de minderjarige, die in 1997 op Curaçao is geboren en daar nog steeds bij de vrouw verblijft. Verweerder (hierna: de man) woont in Nederland en heeft de minderjarige in 2001 erkend. In de onderhavige procedure heeft de man de Rechtbank ’s-Gravenhage verzocht om – met wijziging van een beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao (hierna: het GEA) – de door hem te betalen kinderalimentatie op nihil te bepalen. De vrouw heeft verweer gevoerd en in dat verband betoogd dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om van het verzoek van de man kennis te nemen. De rechtbank heeft dit verweer van de vrouw verworpen. Het hof heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.

Het hof over de bevoegdheidsvraag

Het hof overweegt dat voor de beantwoording van de vraag of in een zaak als de onderhavige de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt niet kan worden teruggegrepen op verdragen en evenmin op Europese regelgeving. Daarnaast overweegt het hof dat relevante Koninkrijkswetgeving ontbreekt en dat de sinds 2002 geldende artikelen 1 t/m 14 Rv niet van toepassing zijn, omdat de daarin opgenomen bepalingen blijkens de wetsgeschiedenis (MvT) uitsluitend betrekking hebben op de internationale rechtsmacht van de Nederlandse rechter en uitdrukkelijk geen betrekking hebben op interregionale betrekkingen of zaken (zoals de onderhavige kwestie). Het hof overweegt vervolgens dat – bij gebreke van enig ander wettelijk houvast – voor de interregionale rechtsmacht dient te worden aangeknoopt bij de relatieve competentie van de rechter. Volgens het hof moet worden aangenomen dat de regeling van de relatieve competentie tevens de basis vormt voor de rechtsmacht van de Nederlandse rechter (conform de regel “distributie is attributie”). Nu de minderjarige in deze zaak geen woon- of verblijfplaats in Nederland heeft (art. 265 Rv) komt het hof uiteindelijk op grond van art. 269 Rv – dat als relatief bevoegde rechter de rechter te ’s-Gravenhage aanwijst – tot het oordeel dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft.

Het geding in cassatie

In cassatie klaagt de vrouw dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek van de man.

Aansluiting bij regels van internationaal privaatrecht

Bij de beoordeling van deze klacht stelt de Hoge Raad voorop dat op grond van art. 38 lid 3 Statuut voor het Koninkrijk (hierna: Statuut) bij rijkswet regels kunnen worden gesteld over privaatrechtelijke onderwerpen van interregionale aard. De Hoge Raad overweegt dat een dergelijke regeling van de rechterlijke bevoegdheid tot op heden niet tot stand is gebracht en dat – bij gebreke daarvan – de rechter in het Nederlandse deel van het Koninkrijk (hierna: het Rijk in Europa) evenals de rechter in Aruba, Curaçao en Sint Maarten, zijn bevoegdheid in privaatrechtelijke zaken van interregionale aard dient te bepalen door zoveel mogelijk aansluiting te zoeken bij hetgeen naar het inzicht van de wetgever van het desbetreffende deel van het Koninkrijk, ter zake geldt op het nauw verwante terrein van het internationaal privaatrecht (zie r.o. 3.6.1).

Deze regel is door de Hoge Raad reeds eerder aanvaard ten aanzien van het conflictenrecht (vgl. HR 25 november 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0528, NJ 1989/421 en HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0663, NJ 2009/454) en strookt met de opvatting van de Minister van Justitie, die bij de totstandkoming van Boek 10 BW ervan heeft afgezien om een afzonderlijke regeling van het interregionaal privaatrecht op te stellen, maar – onder verwijzing naar de hiervoor genoemde rechtspraak – heeft opgemerkt dat dit niet wegneemt dat in een concreet geval de bepalingen van Boek 10 BW voor analogische toepassing op gevallen van interregionale aard in aanmerking kunnen komen (zie Kamerstukken II 2009-2010, 32 137, nr. 3, p. 3).

Eerst onderzoeken of aansluiting bij verdragen en EU-verordeningen mogelijk is

De Hoge Raad overweegt vervolgens dat de rechter in het Rijk van Europa, mede gelet op de voorrang van verdragen en EU-verordeningen ten opzichte van het nationale recht (vgl. art. 1 Rv), is gehouden om eerst te onderzoeken of in een geval van interregionale aard overeenkomstige toepassing kan worden gegeven aan de in verdragen en EU-verordeningen neergelegde bevoegdheidsbepalingen. Slechts indien blijkt dat dergelijke verdragsrechtelijke of Unierechtelijke bevoegdheidsbepalingen ontbreken of zich niet voor overeenkomstige toepassing lenen, dient de rechter in het Rijk in Europa zijn rechtsmacht in een geval van interregionale aard te bepalen met overeenkomstige toepassing van de art. 1-14 Rv.

Aan dit laatste staat volgens de Hoge Raad niet in de weg de enkele opmerking in de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van de art. 1-14 Rv, dat deze bepalingen geen betrekking hebben op interregionale betrekkingen of zaken, zoals het hof in r.o. 7 van zijn arrest heeft overwogen. Ten slotte overweegt de Hoge Raad dat langs de weg van overeenkomstige toepassing van art. 10 Rv (de regel “distributie bepaalt attributie”) rechtsmacht in een geval van interregionale aard ook kan voortvloeien uit andere wettelijke bepalingen tot aanwijzing van een bevoegde rechter, ongeacht of deze wettelijke bepalingen zijn opgenomen in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering of in andere wetgeving. Onder de hier bedoelde wettelijke bepalingen zijn volgens art. 10 Rv evenwel niet de art. 99-110 en 262-270 Rv begrepen, anders dan het hof in r.o. 9 kennelijk (met betrekking tot art. 269 Rv) tot uitgangspunt heeft genomen (zie r.o. 3.6.2).

Is aansluiting bij de Alimentatieverordening mogelijk?

In r.o. 3.7.1-3.7.5 gaat de Hoge Raad over tot toepassing van de hiervoor genoemde regels op de onderhavige kwestie. De Hoge Raad overweegt dat allereerst dient te worden onderzocht of ten behoeve van de rechtsmacht van de rechter in het Rijk in Europa om van het verzoek van de man kennis te nemen, overeenkomstige toepassing kan worden gegeven aan de bevoegdheidsbepalingen van de Alimentatieverordening (Verordening (EG) nr. 4/2009). In dat verband overweegt de Hoge Raad dat de temporele en materiële reikwijdte van de Alimentatieverordening niet in de weg staan aan overeenkomstige toepassing van de daarin vervatte bevoegdheidsbepalingen. Ten aanzien van de formele reikwijdte overweegt de Hoge Raad dat de in de Alimentatieverordening opgenomen bevoegdheidsbepalingen (art. 3-14) van toepassing zijn ongeacht of de verweerder zijn woonplaats heeft in een lidstaat dan wel in een derde staat en dat in de Alimentatieverordening geen enkele verwijzing naar de bevoegdheidsregels van het nationale recht is opgenomen.

Een en ander betekent volgens de Hoge Raad dat de bevoegdheidsbepalingen van de Alimentatieverordening geheel in de plaats zijn getreden van de art. 3 en 4 Rv, voor zover die bepalingen zien op de internationale rechtsmacht van de Nederlandse rechter in zaken betreffende levensonderhoud, en dat aan die artikelen in zoverre geen toepassing meer kan worden gegeven. Deze verhouding tussen de bevoegdheidsbepalingen van de Alimentatieverordening enerzijds en de art. 3 en 4 Rv anderzijds, brengt volgens de Hoge Raad mee dat in een geval van interregionale aard als het onderhavige eerst moet worden onderzocht of de bevoegdheidsbepalingen van de Alimentatieverordening zich voor overeenkomstige toepassing lenen. Slechts indien blijkt dat dit laatste niet mogelijk is, is er grond voor overeenkomstige toepassing van art. 3 en 4 Rv (zie r.o. 3.7.1).

Lenen de bevoegdheidsregels in de Alimentatieverordening zich voor overeenkomstige toepassing?

In r.o. 3.7.2 overweegt de Hoge Raad dat art. 8 lid 1 Alimentatieverordening bepaalt dat indien in een lidstaat of een derde staat waar de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats heeft, een beslissing inzake een onderhoudsverplichting is gegeven, de onderhoudsplichtige niet in een andere lidstaat een procedure aanhangig kan maken om die beslissing te wijzigen of een nieuwe beslissing te verkrijgen zolang de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats behoudt in de staat waar de beslissing is gegeven. Aldus beperkt art. 8 lid 1 de rechterlijke bevoegdheid die in beginsel voortvloeit uit de art. 3-7 Alimentatieverordening. Blijkens punt 17 van de considerans van de Alimentatieverordening is met art. 8 beoogd te bepalen dat de onderhoudsplichtige, behoudens specifieke omstandigheden, een procedure tot wijziging van een bestaande onderhoudsbeslissing of tot verkrijging van een nieuwe beslissing alleen aanhangig kan maken in de staat waar de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats had toen de beslissing werd gegeven en waar hij nog steeds gewoonlijk verblijft (zie r.o. 3.7.2).

Het bepaalde in art. 8 Alimentatieverordening leent zich naar het oordeel van de Hoge Raad voor overeenkomstige toepassing in een geval van interregionale aard als het onderhavige. Er is volgens de Hoge Raad immers – bij gebreke van een andersluidende koninkrijksregeling – geen grond om in interregionale gevallen de belangen van de onderhoudsgerechtigde op het vlak van de rechterlijke bevoegdheid minder vergaand te beschermen dan in internationale gevallen, waarop art. 8 Alimentatieverordening rechtstreeks van toepassing is (zie r.o. 3.7.2).

Overeenkomstige toepassing brengt mee dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is

In r.o. 3.7.3 overweegt de Hoge Raad dat overeenkomstige toepassing van art. 8 lid 1 Alimentatieverordening leidt tot het uitgangspunt dat de rechter in het Rijk in Europa niet bevoegd is om kennis te nemen van een verzoek van de onderhoudsplichtige dat strekt tot wijziging van een beslissing inzake een onderhoudsverplichting, indien deze beslissing is gegeven door de rechter in het Caraïbische deel van het Koninkrijk waar de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats had toen die beslissing werd gegeven, zolang de onderhoudsgerechtigde aldaar zijn gewone verblijfplaats behoudt. Dit uitgangspunt brengt in het onderhavige geval mee dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek van de man om – met wijziging van de beschikking van het GEA – de door hem te betalen kinderalimentatie op nihil te bepalen (zie r.o. 3.7.4).

De Hoge Raad doet de zaak zelf af door de beschikkingen van de rechtbank en het hof te vernietigen en alsnog te bepalen dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft om kennis te nemen van het verzoek van de man. Hiermee wijkt de Hoge Raad af van de conclusie van A-G Vlas, die strekt tot verwerping van het cassatieberoep. A-G Vlas meent dat de vrouw in cassatie terecht heeft geklaagd dat het hof de interregionale bevoegdheid had moeten vaststellen door een analoge toepassing van de commune bevoegdheidsregeling van art. 1 t/m 14 Rv, maar dat deze klachten falen bij gebrek aan belang. Volgens de A-G kan middels deze analoge toepassing immers rechtsmacht voor de Nederlandse rechter worden aangenomen gelet op de gewone verblijfplaats van de man als verzoeker in Nederland (zie art. 3 sub a Rv).

Share This