Alle berichten met de tag: BW art. 3:105


HR 8 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1606 (Gemeente Laarbeek / verweerder)

Er geldt géén afzonderlijke maatstaf voor inbezitneming van grond met een publieke bestemming. Bij het beoordelen of grond met een publieke bestemming in bezit is genomen door een niet-rechthebbende, moet rekening worden gehouden met die bestemming. (meer…)

Hoge Raad 8 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1606

Geldt voor de beoordeling of ‘publieke grond’ – grond met een publieke bestemming – in bezit is genomen, een afzonderlijke maatstaf? Nee, zo oordeelde de Hoge Raad afgelopen vrijdag. De ‘normale’ maatstaf geldt. Die laat ruimte, en verplicht, om bij de beoordeling of sprake is van inbezitneming door een niet-rechthebbende rekening te houden met de publieke bestemming van de grond. Cassatieadvocaat Berend-Bram Heinen bespreekt deze uitspraak in drie minuten.

 

Cassatievlog #113 is ook in podcast vorm beschikbaar. Beluister hier de podcast of via uw favoriete podcastkanaal.

HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309 (Gemeente Heusden/Verweerders)

(1) Voor het in art. 3:105 BW bedoelde gevolg van voltooiing van de verjaringstermijn van art. 3:314 lid 2 BW is voldoende dat bij de niet-rechthebbende sprake is van bezit dat voldoet aan de door de wet gestelde eisen. Het is niet vereist dat de rechthebbende daadwerkelijk kennis had van de bezitsdaden van de niet-rechthebbende waardoor zijn bezit is tenietgegaan. (2) De bezitter te kwader trouw die door de werking van art. 3:105 BW eigenaar is geworden, kan blootstaan aan een vordering uit onrechtmatige daad van de (voormalige) rechthebbende die zijn eigendom aan hem heeft verloren. (meer…)

HR 10 augustus 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5324

Voor verkrijgende verjaring ex art. 3:105 BW is slechts vereist dat de bezitter de zaak bezit op het moment waarop de verjaring van de vordering tot revindicatie wordt voltooid, ongeacht of deze bezitter te goeder trouw is. Bepalend is of gedurende de gehele verjaringstermijn van twintig jaar de toestand bestaat dat een ander dan de rechthebbende bezitter is. Niet van belang is of opvolging in het bezit heeft plaatsgevonden en dus ook niet of opvolgende bezitters te goeder trouw (in de zin van art. 3:102 BW) waren. (meer…)

Cassatieblog.nl