HR 30 maart 2012, LJN BV2839

De verjaring van schadevordering waarop het CMR-verdrag van toepassing is wordt geschorst door een “schriftelijke vordering” als bedoeld in art. 32 lid 2 CMR. Deze vordering dient een duidelijke aanzegging van aansprakelijkstelling te behelzen, maar behoeft het ontstaan en de omvang van de schade niet te specificeren.

In deze zaak vordert de verzekeraar van Nacap Nederland B.V. (hierna: Nacap), Fortis, schadevergoeding van een vervoersbedrijf, nu tijdens het vervoer van een boormachine (in opdracht van Nacap) schade is ontstaan aan deze boormachine. Het CMR-verdrag (hierna: CMR) is op de tussen Nacap en het vervoerbedrijf gesloten vervoerovereenkomst van toepassing.

Tussen partijen is in geschil of deze vordering tot schadevergoeding is verjaard. Meer specifiek is aan de orde of er namens Nacap een schriftelijke mededeling is gedaan in de zin van art. 32 lid 2 CMR, waarmee in dit verband de verjaring kan worden geschorst.

In art. 32 lid 2 CMR staat:

“2. Een schriftelijke vordering schorst de verjaring tot aan de dag, waarop de vervoerder de vordering schriftelijk afwijst en de daarbij gevoegde stukken terugzendt. In geval van gedeeltelijke aanvaarding van de vordering hervat de verjaring haar loop alleen voor het deel van de vordering, dat betwist blijft. Het bewijs van ontvangst van de vordering of van het antwoord en van het terugzenden der stukken rust op de partij, die dit feit inroept. Verdere, op hetzelfde onderwerp betrekking hebbende vorderingen schorsen de verjaring niet.”

De rechtbank wees het beroep op verjaring door het vervoerbedrijf af, maar het hof komt tot een ander oordeel. Het hof gaat ervan uit dat in dit geval de verjaringstermijn van een jaar van art. 32 lid 1 CMR geldt en dat die termijn is gaan lopen op 23 november 1996 (de dag na de aansprakelijkheidsstelling van het vervoersbedrijf). Volgens het hof kan de fax van 22 november 1996, waarin Nacap het vervoersbedrijf aansprakelijk heeft gesteld voor de schade aan de boormachine, niet kwafliceren als een “schriftelijke vordering” als bedoeld in art. 32 lid 2 CMR. Het hof oordeelt daarom dat de verjaring niet geschorst is.

In zijn motivering stelt het hof voorop dat de in het CMR geregelde schorsing van de verjaring zowel wat betreft haar totstandkoming als wat betreft haar gevolgen een in het huidige Nederlandse recht onbekende figuur is. Het hof meent evenwel dat een parallel kan worden tussen de stuiting naar Nederlands recht en de schorsing van het CMR, nu zij beide door een eenzijdige rechtshandeling een wijziging in de lopende verjaringstermijn brengen. Bij het bezien aan welke eisen een schriftelijke vordering als bedoeld in art. 32 lid 2 CMR moet voldoen zoekt het hof daarom aansluiting bij de eisen die gesteld worden aan de in art. 3:317 lid 1 BW bedoelde schriftelijke aanmaning of schriftelijke mededeling waarin de schuldenaar zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Een dergelijke aanmaning of mededeling van art. 3:317 BW dient volgens het hof een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar te bevatten dat die er ook na het verstrijken van de verjaringstermijn rekening mee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, zodat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door de schuldeiser ingestelde vordering kan verweren. Het hof overweegt dat in die eis besloten ligt dat de schuldeiser ook zoveel mogelijk duidelijkheid verschaft over het feit dat tot de in te stellen vordering aanleiding geeft. De schuldeiser dient daarom – naar het hof meent – in beginsel inzicht te geven in de schade waarop hij zijn vordering baseert.

De fax van 22 november 1996 heeft het vervoersbedrijf dat inzicht volgens het hof in onvoldoende mate verschaft. In die fax ontbreekt elke beschrijving van de schade, zodat het (uitgaande van uitsluitend deze fax) het vervoersbedrijf niet duidelijk was op welke schade de vordering feitelijk was gebaseerd. Bovendien was gesteld noch gebleken dat het vervoersbedrijf en tijde van het ontvangen van de fax over voorkennis beschikte – zoals bekendheid met het schaderapport – waardoor voor haar duidelijk was wat met “transportschade” werd bedoeld.

Het cassatiemiddel betoogt dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan door te hoge eisen te stellen aan de ‘schriftelijke vordering’ als bedoeld in art. 32 lid 2 CMR. Deze klacht slaagt:

“3.7 (…) De in art. 32 lid 2, eerste volzin, geregelde schorsing van de verjaring strekt ertoe de tot schadevergoeding gerechtigde in staat te stellen om, zonder beducht te zijn voor verjaring, de oorzaak en de omvang van de schade te onderzoeken en met de vervoerder overleg te voeren en te proberen een minnelijke regeling te bereiken alvorens een rechtsgeding op gang te brengen. De “schriftelijke vordering” als bedoeld in art. 32 lid 2 moet daarom, wil zij de in dat artikellid geregelde schorsende werking hebben, weliswaar een voor de vervoerder duidelijke aanzegging behelzen dat hij aansprakelijk wordt gesteld wegens verlies of beschadiging van de vervoerde goederen of vertraging in het vervoer, maar behoeft niet te specificeren, of zoveel mogelijk te verduidelijken, hoe de schade is ontstaan, waaruit de schade bestaat of met welk bedrag de schade dient te worden vergoed.”

A-G Timmerman was tot een tegengestelde conclusie gekomen. De A-G  betoogt (par.  3.18) dat het doel en de strekking van art. 32 lid 2 CMR meebrengen dat de vervoerder door middel van een schriftelijke vordering in niet mis te verstane bewoordingen duidelijk moet worden gemaakt dat hij voor de ontstane schade aansprakelijk wordt gesteld en wat de grondslag van de aansprakelijkstelling is. Een aansprakelijkstelling alleen is volgens de A-G in beginsel niet voldoende:

“De aansprakelijk gestelde moet uit de schriftelijke vordering kunnen begrijpen waarvoor hij aansprakelijk wordt gesteld. Daartoe zal een schriftelijke vordering in beginsel de aard van de schade dienen aan te duiden en een zekere beschrijving van de schade moeten bevatten. Een heel precieze becijfering van de schade kan ook weer niet worden vereist. In beginsel bestaat geen noodzaak om stukken te voegen bij een schriftelijke vordering die aan deze vereisten voldoet.”

De Hoge Raad dacht daar dus anders over. Lezenswaard is overigens de uiteenzetting van de A-G omtrent de uitleg van het begrip ‘schriftelijke vordering’ in andere landen, zoals Duitsland, België, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Oostenrijk (zie par. 3.10-3.17 van de conclusie).

Share This